De TheaterEncyclopedie is vernieuwd!

Ton Lutz: Biografie - De Amsterdamse Toneelschool

Uit TheaterEncyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Logo eenlevenlangtheater2.jpg


Ton Lutz. Foto: F.L. Lemaire/MAI. Collectie TIN.


Eenlevenlangtheater Ton Lutz:


De Amsterdamse Toneelschool (1941-1944))

Ton Lutz speelde zijn eerste toneelrol bij het gezelschap van de Vereenigde Haagsche Spelers dat onder leiding stond van Pierre Balledux. Tijdens de bezetting was hij één van de weinige toneelleiders die weigerde over de Kultuurkamer in gesprek te gaan met de Duitsers. Die principiële daad hield natuurlijk wel de opheffing in van de Vereenigde Haagsche Spelers – en zo werd Ton Lutz’ beginnende toneelcarrière na één rol alweer onderbroken. Ondanks de afstand die hij uit eigen beweging had genomen, had hij nu voor het eerst echt baat bij het feit dat hij katholiek gedoopt was. Ook hij kwam immers in aanmerking voor de maandelijkse uitkering, die werd betaald uit het katholieke Fonds voor Bijzondere Noden. Dat leidde ertoe dat Lutz iedere maand 75 gulden bijstand kreeg, die hij ontving uit handen van Ferd Sterneberg, een acteur (en na de oorlog ook regisseur en toneelleider) die intensief betrokken was bij het toneelspelersverzet.

Zo kon het gebeuren dat Ton Lutz, in weerwil van de grimmige oorlogssituatie, ineens toch genoeg geld tot zijn beschikking had om de droom van een toneelopleiding te kunnen realiseren – als hij zich tenminste door het toelatingsexamen wist heen te slaan.
De Amsterdamse Toneelschool.
Dat toelatingsexamen vond plaats in de Toneelschool aan de Marnixstraat 150 te Amsterdam. Hij had de opdracht gekregen om iets uit een rei van Vondel te doen en deed daarbij een gedicht uit Gemengde berichten van Eric van der Steen. Lutz was die dag een van de laatste kandidaten en door de reacties tijdens zijn optreden had hij het gevoel dat zijn kans om te worden aangenomen zeer reëel was: "Ik ging meteen na afloop naar de directeur, meneer Walch, en zei: "Professor, ik woon helemaal in Delft. Ik heb heel weinig geld tot mijn beschikking, mijn ouders kunnen het absoluut niet betalen op het moment. Ik kom uit een groot gezin en ik moet een kamer huren. Dat wou ik eigenlijk meteen vandaag doen. Maar dan moet ik wel weten of ik geslaagd ben, anders doe ik het voor niks." "Je mag een kamer huren hoor jongen, maar bericht krijg je nog." Nou... ik was blij zeg!"

Ton Lutz kon zich zijn entree als student aan de Toneelschool goed herinneren. Zijn eerste jaar begon met negentien leerlingen – na het kerstexamen waren daar acht van over: Lutz was daarbij, samen met IJda Andrea, Truus Dekker, Jack Dixon, Egbert van Paridon, Hans Tobi, Diny Sprock en Ellen Vogel. Hij gedijde goed op de Toneelschool – zelfs zo goed dat hij zijn aanvankelijke plan om criticus te worden tenslotte liet varen: hij realiseerde zich dat hij eindelijk zijn roeping had gevonden en nooit meer anders wilde dan toneelspelen.

Leslokaal in de Amsterdamse Toneelschool. Collectie TIN.
Daar kwam bij dat de oorlog, binnen de beschermende muren van de Toneelschool, ver weg leek. De leerlingen dompelden zich onder in de schijn van het theater – en die was heel wat aantrekkelijker dat de rauwe dagelijkse werkelijkheid. Hoe verleidelijk die mooie schijnwereld was, blijkt als Lutz en een aantal medestudenten in 2000 over die tijd worden geïnterviewd – onveranderlijk geven ze aan dat hun politieke bewustzijn vrijwel nihil was. Ton Kuyl, die zijn opleiding een jaar eerder was begonnen, verwoordt het aldus: "Toen ik op school kwam in 1941 hoorde ik, dat er twee meisjes niet meer op school mochten terugkomen of niet werden toegelaten (...) omdat ze joods waren. Ik heb dat ter kennisgeving aangenomen. Geen woord van protest, bij niemand overigens. Ik verbaas me er nog steeds over. Ik was volstrekt a-politiek, van de Kristallnacht had ik zelfs nog nooit gehoord."

De leerlingen konden ook a-politiek zijn, want de Toneelschool was in die tijd een middelbare kunstopleiding – dat hield in dat de leerlingen geen solidariteitsverklaring hoefden te tekenen, in tegenstelling tot studenten aan universiteiten en hogere kunstopleidingen. De politieke discussie bleef dus uit, waardoor de enige zorg was hoe men met beperkte financiële middelen kon overleven bij honger en kou. Dat was overigens geen geringe opgave; een aantal van de studenten was fysiek ernstig verzwakt. Egbert van Paridon had bijvoorbeeld tuberculose en was zo doorschijnend mager dat hij op zijn uiterlijke verschijning als Hamlet werd gecast. En ook Lutz’ eigen krachten waren zozeer uitgeput dat hij tijdens een dansles onderuitging.

Het onderwijs werd verzorgd door een keur aan docenten die als gevolg van het slecht functionerend openbaar vervoer vaak lang op zich lieten wachten. Bovendien ontvingen zij maar een beperkte financiële vergoeding voor hun lessen, wat niet noodde tot uitputtende voorbereidingen. Directeur dr. Jan Walch was een erudiet theaterhistoricus met weinig gevoel voor de praktijk van het theater. Hij verzorgde het geschiedenisonderwijs, maar had weinig overwicht en gaf, volgens zijn oud-studenten, op een zwakke manier leiding aan de school. Hij leed kennelijk onder de druk van de oorlog en wist zich als ‘jodenvriend’ kritisch in de gaten gehouden door de bezetter.

http://mediaserver.tin.nl/getmedia.php?s=51xxxx222.003&b=200 http://mediaserver.tin.nl/getmedia.php?s=51xxxx593.009&b=200 http://mediaserver.tin.nl/getmedia.php?s=51xxxx827.018&b=200 http://mediaserver.tin.nl/getmedia.php?s=TIN002001048_001&b=200

Docenten van Ton Lutz op de Toneelschool: v.l.n.r.: Frits Bouwmeester jr., ca. 1925. Foto: Godfried de Groot; Richard Flink, ca. 1950. Foto: Louis van Paridon; Cor Hermus, 1939. Foto: Kurt Kahle; Johan Schmitz als Gijsbreght, jaren '50. Foto: Particam Pictures/MAI. Collectie TIN.


Van de docenten herinnert Lutz zich als eerste Frits Bouwmeester jr. die hij als collega had leren kennen bij de Vereenigde Haagsche Spelers van Balledux. Deze had de gewoonte zijn lessen te geven aan de hand van foto’s van voorstellingen waarin hij zelf gespeeld had. Zijn onderwijs beperkte zich doorgaans tot aanwijzingen in de trant van "pasje links, pasje rechts", wat een gevleugelde uitdrukking werd in de gangen van de school. Maar er zijn meer docenten die in Lutz’ geheugen staan gegrift, vooral omdat zij zich positief onderscheidden van de anderen door de inspiratie die er van hen uitging. Lutz herinnert zich Richard Flink als een heel prettige leraar en noemt Cor Hermus ‘de man van de 80.000 anekdotes’, waarmee hij inzicht gaf in alle facetten van het toneelvak. Niet zonder kritiek overigens: "Hij vertelde hoe mooi het was; hoe verrukkelijk het was; hoe stom het soms was. En hij jutte ons op: hij probeerde ons uit ons vel te trekken," waardoor de leerlingen soms meer uit zichzelf wisten te halen dan ze voor mogelijk hadden gehouden. Docent Johan Schmitz had op de Reinhardt Schule in Wenen gestudeerd. Hij was een degelijk vakman en een goede leraar. Bewogen en heel precies met een zeer verzorgde, zo niet chique uitspraak. "Heb ik veel van geleerd, heel veel van gehouden ook," herinnert Lutz zich. Eén van de meest gedenkwaardige docenten tijdens die jaren aan de Toneelschool was de voordrachtskunstenares Claudine Witsen Elias, een jonkvrouwe die door de studenten steevast ‘de freule’ werd genoemd. Tijdens haar lessen Prosodie van de Voordrachtskunst wist zij het bij Lutz reeds aanwezige taalgevoel te stimuleren en te ontwikkelen, juist door het te zoeken in soberheid: "Ik moest een gelegenheidsvers van Anton van Duinkerken opzeggen [...]. Het begon zo: "Gij stond alleen, met storm van puinval om u heen." En ik probeerde vooral van dat "alleen" een zinderend stukje verlatenheid te maken. Toen zei Claudine: "Ton, zou ‘alleen’ zónder muziek niet veel eenzamer zijn?" En ze hield dat "alleen" heel stil en droog. Dat was fantastisch; ik heb nooit meer een vocaal laten trillen."

En natuurlijk werd er veel geleerd door in de schouwburg te kijken naar collega’s. Ondanks het feit dat joods Nederland de toegang tot openbare gelegenheden zoals de schouwburg was ontzegd, stimuleerde directeur Walch zijn pupillen om vooral veel te gaan zien. Daarna volgden natuurlijk de onderlinge analyses die niet gespeend waren van jeugdige arrogantie en overmoed. Zo herinnert Lutz zich dat hij in 1942 met Ellen Vogel de voorstelling bezocht van Spoken, in de uitvoering van het Gemeentelijk Theaterbedrijf Amsterdam. Samen volgden zij in de koninklijke loge van de Stadsschouwburg – waar de studenten bij afwezigheid van koninklijk bezoek mochten plaatsnemen – de verrichtingen van hun docent Johan Schmitz als Oswald en steractrice Magda Janssens, die de rol van mevrouw Alving speelde: ‘(Naderhand sprak) Ellen de gevleugelde woorden: "Tja Ton... Magda haalde het niet helemaal vanavond hè?" Dat was de eerste kritiek die ik hoorde van een toneelspeelster in spé. Wij waren brutaal, we wisten alles!"

Opvallend is dat Lutz – buiten zijn zichtbare talent als acteur – toen eigenlijk al blijk gaf van een andere, bijna natuurlijke aanleg: die voor het regisseursvak. Er was in die jaren nog geen regieopleiding en sowieso was de functie van de regie in die periode een geheel andere dan wij nu gewend zijn. De regisseur was meer een ‘metteur-en-scène’ – de leidende figuur die zijn acteurs, op basis van een van tevoren uit gedachte mise-en-scène, vertelde wanneer ze waar moesten staan en hoe ze hun tekst moesten zeggen. Het was in die tijd gebruikelijk dat acteurs in kleinere rollen niet de gehele tekst van het stuk kregen; hun teksten werden uitgeschreven in een schriftje, waarbij de voorgaande tekst van de tegenspelers (de zogenaamde ‘wacht’) ook was vermeld. Meer hoefde men over het te spelen stuk niet weten...

Lutz was de oudste van zijn klas en had blijkbaar een natuurlijk overwicht: "Ik was al gauw klassenoudste. En ik ging regisseren, bemoeide me overal mee." En daar werd op de Toneelschool dankbaar gebruik van gemaakt. Zoals gezegd waren de meeste docenten door hun speelschema’s beperkt beschikbaar en als bijvoorbeeld Cor Hermus in een les aan een scène begon, werkte Lutz die later met zijn klasgenoten uit. Wanneer die scènes uiteindelijk aan elkaar werden gesmeed, ontstond er langzamerhand een voorstellinkje. Zo kwam er vroeg een leidende, een regisserende factor in Lutz’ toneelleven.


Bron: tekst grotendeels overgenomen uit het boek Ton Lutz. De toneelvader des vaderlands van Xandra Knebel (Theater Instituut Nederland 2007).