Uit TheaterEncyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken


Jeugd in Wenen

Helene Thimig werd op 5 juni 1889 in Wenen geboren.[1] Haar vader Hugo Thimig was toen al 15 jaar acteur aan het Wiener Burgtheater, waarvan hij later ook intendant werd.[2] De twee jongere broers van Helene - Hermann en Hans - werden eveneens acteurs, en ook een schoondochter en vier kleindochters van Hugo Thimig vonden hun weg tot het theater. De familie Thimig telt daarmee tot een van de grote acteursdynastieën van Oostenrijk, ondanks dat stamvader Hugo Thimig uit Dresden kwam en ook de moeder van Helene Duitse was.[3]
Helene, Hugo, Hermann und Hans Thimig, ca. 1925

De schoolopleiding van Helene Thimig was bescheiden en werd in het boek “Die Thimigs” uit 1930 door de auteur en dramaturg Arthur Kahane humoristisch beschreven. Zijn resumé: Ze heeft op scholen niets geleerd, maar kon later alles inhalen.[4] Helene Thimig beschrijft zichzelf in haar boek “Wie Max Reinhardt lebte” als een extreem schuchter meisje dat zoveel mogelijk alleen wilde zijn en bijna dwangmatig altijd alles doorgronden en begrijpen moest.[5] Haar hele leven zou ze zich op de bühne alleen dán op haar gemak voelen, als ze alles begrepen had; het stuk, haar eigen tekst, elke motivatie van haar figuur tot in het kleinste detail. Ze zou interpretaties van rollen die een regisseur haar wilde opdwingen, maar die ze noch intellectueel noch emotioneel kon begrijpen, bijna als verkrachting ervaren.[6]

De kleine Helene slot zich urenlang in haar kamer op, sprak zelf bedachte monologen, antwoordde op vragen van fantasiefiguren, probeerde zich ´s nachts wakker te houden en schreef onmiddellijk haar dromen op mocht ze toch in slaap gevallen zijn. Een ongelukkig meisje, dat zich zelf kwelde en “geen zelfvertrouwen had, maar wel mateloze wensen”.[7]

Het eerste optreden 1907[8]

Haar grootste wens, die ze weliswaar lange tijd geheim hield voor haar familie, was om actrice te willen worden. Echter had ze geen geloof in haar eigen talent en vond ze zichzelf ook lelijk.[9] Pas toen ze zeventien was, vertrouwde ze dit geheim ´s nachts huilend haar vader toe. Hij had haar bij familiefeestjes zien optreden en was ervan overtuigd dat ze geen talent had. In die nacht maakten vader en dochter de volgende afspraak: ze moest eerst een degelijke opleiding volgen (“Kaufmannslehre”), waarvoor ze uiteindelijk maar één jaar in plaats van drie jaar nodig had. Pas daarna mocht ze bij de actrice Hedwig Bleibtreu, een vriendin van de familie Thimig en de gevierde tragédienne van het Burgtheater, een soort second opinion wat betreft haar talent inhalen.
Hedwig Bleibtreu in Sonnwendtag

Dit oordeel was ongunstig. Bleibtreu meende wat laconiek: “Es reicht höchstens bis Brünn.” (Vertaling: “Je komt met jouw talent maar tot Bünn.”) Daarmee zinspeelde ze op het vergeleken met Wenen middelmatige artistiek niveau van een typische kleine provinciebühne zoals in Brünn, het huidige Brno.)[10]
Aangezien Helene dermate overstuur reageerde op de afkeurende woorden van Hedwig Bleibtreu, gaf deze het jonge, blonde en heel dunne meisje nog een tweede kans. Bleibtreu nam een engagement als gast in het stadje Baden bei Wien aan en kreeg het, als grote ster van het Weense Burgtheater, voor elkaar dat de compleet onervaren Helene Thimig een hoofdrol kreeg. Het stuk heette “Die Maus” (originaltitel: La souris, 1887) en stamde van Edouard Pailleron, een destijds populaire auteur van gezelschapskomedies. Om de naam Thimig geen schande te maken, noemde ze zich bij haar eerste grote optreden Helene Werner. Haar ouders zaten in het publiek en mochten meemaken dat hun dochter tegen alle verwachtingen in een mooi eerste succes vierde.[11]

In haar boek, in een Amerikaans radio-interview[12] en ook in het portret van Arthur Kahane komt de grote fysieke indruk ter sprake die dit eerste optreden voor een groot publiek bij haar teweegbracht. Ze zag niets meer toen ze de bühne betrad, maar voelde golven uit het publiek bij haar aankomen en weer weg ebben, die ze op dat moment als golven van medelijden waarnam. Echter in plaats van zich daardoor te laten ontmoedigen, werd bij haar een soort trots geactiveerd en kwam ze in “een fris en heerlijk gevoel van eigenheid” terecht (“ein frisches, herrliches Selbstgefühl”).[13]

Hoftheater Meiningen 1908-1911[14]

Haar vader Hugo Thimig - na dit succesvolle debuut van het talent van zijn dochter overtuigd - hielp Helene aan een engagement bij het ”Hoftheater Meiningen” waar ze uiteindelijk drie jaar zou blijven.

Deze schouwburg had vooral in de 19e eeuw een grote reputatie in de Duitstalige en internationale toneelwereld, ondanks dat ze in een kleine provinciestad stond (en staat). Hertog Georg II van Saksen-Meiningen (1826-1914), ook “Theaterherzog” (theaterhertog) genoemd, was namelijk een kunstzinnige man met een bijzondere passie voor het toneel. Zijn ideeën over regie, acteurs, kostuums en decor legde hij in zijn “Meininger Prinzipien” vast. In dit reformprogramma voor de Duitse toneelkunst eiste hij onder andere het uitsluitende gebruik van historisch correcte kostuums, decors en rekwisieten, ten behoeve van een authentieke sfeer op de bühne. Hij ensceneerde ook zelf, vaak Shakespeare, Schiller en Kleist, want hun historische stukken boden hem rijke mogelijkheden voor de inzet van prachtige kostuums en decors in de echte stijl van die tijd.
Helene Thimig als Kätchen von Heilbronn, Hoftheater Meiningen

Wat de acteurskunst betreft drong Georg II erop aan dat een acteur zich niet als ster mocht gedragen, maar als onderdeel van het ensemble en vooral als dienaar van de dichter. Ook grote acteurs moesten kleine rollen spelen en zelfs als figuranten optreden.
De regisseur kreeg in de theaterkosmos van Georg II de machtigste positie toegewezen; hij was vanaf nu verantwoordelijk voor de hele proces en dit proces moest leiden tot een harmonisch werk, een samenspel van alle kunsten op de bühne, het “Gesamtkunstwerk”.[15] [16]

Helene Thimig speelde in Meiningen soms om de drie dagen een nieuwe rol: grote, kleine en ook figurantenrollen; ze speelde jonge meisjes, oude vrouwen en zelfs jonge mannen. Tot haar grote rollen telden Kätchen in “Kätchen von Heilbronn” van Heinrich von Kleist, Puck in “Ein Sommernachtstraum” (“A Midsummernight´s dream”) van Shakespeare en Melitta in “Sappho” van Franz Grillparzer.

Arthur Kahane benadrukte in zijn portret van Helene Thimig dat ze het een belangrijke, zelfs onmisbare ervaring vond voor een beginnende acteur/actrice om als figurant op te treden. Zo speelde ze bijvoorbeeld in “Romeo und Julia” van William Shakespeare acht figurantenrollen in verschillende kostuums en maskers en was er heel blij en tevreden mee.[17] Aangezien de figuranten destijds door de regisseurs meer of minder aan hun eigen lot overgelaten werden - hun belangstelling richtte zich voornamelijk op de hoofdrolspelers - kon Helene Thimg haar kleine figuren naar eigen goeddunken vorm geven. Ze schrijft dat ze het een keer zo bont gemaakt heeft en als “achtendertigste vrouw uit het volk” in zo een vertwijfeling uitbrak over het leiden van de hoofdpersoon (een vrouw die naar het schavot geleid werd), dat ze alle aandacht naar zich toe trok. De zoon van de Noorse dichter Björnstjerne Björnson zat in de zaal en vond dat zo interessant, dat hij haar naar Berlijn aanbeval.[18]

Königliches Schauspielhaus Berlin 1911-1917

Helene Thimig trad 1911 als gast uit Meiningen aan het “Königliche Schauspielhaus Berlin”[19] op, als Georg in “ Götz von Berlichingen” von Johann Wolfgang von Goethe, dus in de rol van een jongen.[20]Het gebeurde destijds nog geregeld dat actrices jongens speelden; pas vanaf de jaren dertig werd dit als te onrealistisch waargenomen en niet meer gepraktiseerd.[21]

Na haar succesvol gastoptreden werd ze aan het “Königliches Schauspielhaus” geëngageerd en bleef daar zes jaar lang. Over de jonge actrice werden al snel lyrische kritieken en portretten geschreven. Zo bewonderde bijvoorbeeld de journalist Fritz Blank in 1915 aan haar het volmaakte samenspel van taal, gebaren en mimiek. Hij schreef over haar natuurlijkheid en gaf haar het advies, om nooit aan haar persoonlijkheid te gaan werken maar alleen aan de figuren die ze te spelen had.[22]
Helene Thimig als Gretchen in Faust, beeldje, 1910

Ondanks dat Helene Thimig zich aan het “Königliches Schauspielhaus” “snel in de eerste liga van de Berlijnse acteurs gespeeld had”[23] en talrijke hoofdrollen speelde - onder ander de titelrol in “Antigone” van Sophokles, Klärchen in “Egmont” van Goethe, Solveig in “Peer Gynt” van Henrik Ibsen - voelde ze een ”artistieke stagnatie”.[24] In haar memoires noemde ze dit huis - immers de keizerlijke schouwburg in Berlijn - alleen maar een keer. De geest die toentertijd in het “Schauspielhaus” heerste – door Karl Friedrich Schinkel als classicistische muzentempel in Griekse stijl gebouwd en in 1821 geopend[25] – was conventioneel, academisch, anti-naturalistisch.
Innerlijk verbonden voelde zich Helene Thimig met een ander Berlijns theater, namelijk het “Deutsche Theater” onder de leiding van Max Reinhardt, die veel later (1935) haar tweede echtgenoot zou worden. Op haar vrije avonden bezocht ze vaak ensceneringen van Reinhardt, wat haar wens ooit onder zijn regie te mogen spelen steeds sterker liet groeien.[26] Al in 1912 probeerde ze haar contract met het “Schauspielhaus” te beëindigen, maar haar wens werd afgewezen.[27]

Het naturalisme aan het “Deutsche Theater”

Het “Deutsche Theater” aan de Schumannstraße was, anders als het “Königliches Schauspielhaus”, een privétheater en kreeg geen subsidies.[28] Dit leidde tot een grotere onafhankelijkheid bij de keuze van nieuwe stukken.

Aan dit theater heeft de intendant en regisseur Otto Brahm (1856-1912)[29] het naturalisme doorgezet, door voornamelijk burgerlijke tragedies (Henrik Ibsen, August Strindberg), arbeiderstragedies en zelfs tragedies uit het boerenmilieu (Gerhart Hauptmann) op zijn speelplan te zetten. De acteurs van dit theater inspireerden zich aan het echte leven, observeerden de werklui in de Berlijnse arbeidersbuurten, luisterden naar hun dialect en taalgebruik, bestudeerden hun bewegingen en verwerkten deze observaties en ervaringen uiteindelijk in hun rollen. Op deze manier ontwikkelde zich een nieuwe stijl van acteren, die buiten deze schouwburg toentertijd nog niet overgenomen werd. “Natuur” en “echtheid” werden toen bijna heilige begrippen, dogma`s. Rosa Albach-Retty, de grote actrice van het "Wiener Burgtheater", die haar carrière aan het “Deutsche Theater” in Berlijn begonnen was, herinnerde zich in haar memoires dat ze eens in de rol van een meisje uit het volk zonder kousen optrad en op open bühne haar vingers aflikte nadat ze honing gegeten had. Deze momenten van naturalisme op de bühne voldeden destijds al om een sensatie uit te lokken.[30]
Helene & Hermann Thimig privé

Max Reinhardt (1873-1943)[31] werd in 1894 acteur onder Otto Brahm. In 1905 kocht hij het “Deutsche Theater” en werd er zelf intendant en regisseur.[32] Hij overwon het naturalisme[33] ten gunste van een illusionistisch theater, doordat hij de poëzie terug op de bühne bracht zonder de belangrijke verworvenheden van het naturalisme enigszins te verwerpen. Reinhardt had een veel breder begrip van toneel dan Brahm. Hij speelde stukken uit alle epochen en zorgde met technische noviteiten (bv. draaibühne, driedimensionaal decor i.p.v. geschilderde prospecten, spectaculaire lichteffecten) voor heel nieuwe visuele indrukken bij het publiek. Max Reinhardt streefde naar een “theater als feest”, het sociaal-politieke aspect dat bij Brahm centraal stond was hem vreemd.[34][35]

Deutsches Theater (1917-1933)[36] en Max Reinhardt

Haar aversie tegen het conservatieve “Königliches Schauspielhaus” werd in de loop van de tijd zo groot, dat Helene Thimig met zware lichamelijke klachten reageerde, zoals altijd in haar leven als ze ontevreden was. Deze keer had ze ondraaglijke zenuwpijn, zodat ze soms zelfs in komedies van de pijn moest huilen. In dezelfde tijd, 1916, trouwde ze met de acteur, regisseur en schrijver Paul Kalbeck, van wie ze twee jaar later alweer ging scheiden.[37]

In 1917 kon ze eindelijk haar engagement bij het “Deutsche Theater” aantreden. Max Reinhardt was toen met de actrice Else Heims getrouwd, die ook tot het ensemble van het “Deutsche Theater” behoorde. Ze hadden twee zoons, maar leefden desondanks al langer apart van elkaar. De samenwerking tussen Max Reinhardt en de jonge Helene Thimig groeide al snel uit tot een groot liefdesverhaal, maar Heims weigerde categorisch officieel van hem te gaan scheiden. Het lukte Reinhardt pas 1935 in Reno/USA de scheiding door te zetten en met Thimig te trouwen.[38]

Helene Thimig onderwierp zich helemaal aan de levens- en arbeidsstijl van Max Reinhardt. Hij werkte elke nacht aan zijn bureau en zij zat in zijn buurt, zweeg, observeerde hem of bediscussieerde met hem onderwerpen omtrent kunst en toneel. Overdag bleef ze de hele tijd in het theater, of ze had repetities of een voorstelling. In een Amerikaans interview vertelde ze dat ze het daglicht niet meer zag en dat ze het ook niet wilde zien. Alles draaide alleen nog maar om de kunst, elke storing uit het echte, dagelijkse leven was onwelkom.[39]

Berlijn, Wenen, Salzburg

Max Reinhardt heerste niet alleen over het “Deutsche Theater”, maar had in Berlijn, Wenen en Salzburg een theaterimperium opgebouwd, waarover hij de artistieke leiding had en zijn broer Edmund de financiële.[40] Voor elk genre wilde Reinhardt het passende theater of het passende speeloord ter beschikking hebben. Voor de tragedies van de Grieken en van Shakespeare werd een voormalige circus door de architect Hans Poelzing in een monumentaal-theater, het “Grote Schauspielhaus” omgebouwd. De zaal zag eruit als een reusachtige druipsteengrot. Voor stukken met kleine bezetting liet hij de “Kammerspiele” bouwen, direct naast het “Deutsche Theater”. Geopend werd dit huis met “Gespenster” van Ibsen.[41]

Samen met de dichter Hugo von Hofmannsthal richtte hij in 1920 het festival “Salzburger Festspiele” op, waar sindsdien elke zomer voor de dom onder vrije hemel het door Hofmannsthal geschreven katholiek mysteriespel “Jedermann” opgevoerd wordt.[42]
Helene Thimig als Glaube in Jedermann, Salzburg 1930

Helene Thimig trad in al zijn theaters op, maar bijzonder graag in het Weense “Theater in der Josefstadt”. 1926 speelde ze hier onder anderen naast haar twee broers Hermann en Hans en haar vader Hugo Thimig met groot succes in “Alles oder nichts – Der Traum von Schale und Kern” von Egon Friedell en Hans Sassmann naar Johann Nestroy.[43] In Salzburg was ze in “Jedermann” in de rollen van Glaube en Gute Werke te zien.[44] In het “Grote Schauspielhaus” trad ze naast theaterlegende Alexander Moissi op: een acteur die Max Reinhardt in Berlijn doorzette; wat overigens op veel weerstand kon rekenen, aangezien hij als Italiaan Duits met een zwaar accent sprak. Hij speelde Hamlet; Helene Thimig was zijn Ophelia.[45]

Voor de actrice werden de 16 jaar aan het “Deutsche Theater” en de andere theaters van haar echtgenoot de artistiek rijkste en meest succesvolle tijd van haar leven. Waarover ze ´s nachts met Max Reinhardt sprak, verwerkte ze overdag op de repetities. Een centraal begrip in hun gedachtes over de acteurskunst was “het bewustzijn”. Hierin zagen ze het beslissende verschil tussen het spel van kinderen en dat van acteurs. Alles wat op de bühne ontstaat, moet bewust ontstaan, vastgehouden en gereproduceerd kunnen worden, terwijl kinderen zich van hun spel kunnen laten drijven, zonder te weten waarheen.[46]

De precisie in haar spel, haar concentratie, beschreef de Berlijnse criticus Herbert Ihering in 1927, toen hij haar als Dorothea Angerer in het gelijknamige stuk van Gerhart Hauptmann had gezien:

“Herrlich. Jeder Satz war gestaltet, durchleuchtet. Kein Zufall, keine Empfindsamkeit. Höchste Meisterschaft. Um der Thimig willen lohnte sich der Abend.”
(Vertaling: Heerlijk. Elk zin was gevormd, verhelderd. Geen toeval, geen sentiment. In hoge mate vakmanschap. Wegens Thimig is de voorstelling zienswaardig.)[47]

Om in hun concentratie niet door de prikkels van de buitenwereld gestoord te worden, planden Reinhardt en Thimig zelfs een tijdlang een “Schauspielerkloster” (klooster voor acteurs) op te richten, dus een stil, bijna heilig oord waar acteurs zouden leven, leren en spelen. Dit project kon uiteindelijk niet gerealiseerd worden.[48]

Tot 1937 speelde zich het leven van Helene Thimig tussen Berlijn, Salzburg en Wenen af. Haar man Max Reinhardt was vaak maanden lang afwezig om in de USA contacten te maken. Hij ensceneerde, al voor zijn emigratie, ook in Amerika. Bijzonder grote successen werden de monumentaal-pantomime “The miracle” in New York en de enscenering van zijn favoriet toneelstuk “A midsummernight´s dream” van Shakespeare als opvoering onder de vrije hemel in de heuvels van Hollywood (Hollywood bowl). In de filmstudio’s van Hollywood zou hij dit stuk 1935 ook verfilmen, met Olivia de Havilland als Titania en Mickey Rooney als Puck. Het bleef zijn enige geluidsfilm.[49]

Emigratie 1937-1947

Max Reinhardt, die joods was, weigerde in 1933 het aanbod van propagandaminister Joseph Goebbels om de status van “Ehrenarier” te verkrijgen en op die manier verder in Duitsland te kunnen leven en werken.[50] Hij verliet Berlijn in richting Wenen en zijn trouwe partner Helene Thimig die nog tot in de jaren zestig anonieme brieven ontving waarin ze “Judenhure” (jodenhoer) genoemd werd, volgde hem.[51] Zoals ze hem vier jaren later ook naar de USA zou volgen zonder ook maar een moment te twijfelen. Anders als talrijke prominente actrices en acteurs heeft Helene Thimig niet alleen op de bühne het goede, ware en mooie verkondigd, zoals in een van haar favoriete rollen, Iphigenie van Johann Wolfgang von Goethe.[52] Zij leefde dit humanisme ook in het echte leven. Het is wel verstorend om te zien hoe vele andere acteurs, die belangrijke ontwikkelingen in hun carrières aan Max Reinhardt te danken hadden, hem verraden hebben. De twee meest prominente voorbeelden waren Paula Wessely en Werner Krauß, die in antisemitische en racistische Nazi-films optraden. Haar vergevingsgezindheid ging na de oorlog blijkbaar zover, dat Thimig naast Wessely[53] en Krauß[54] in films en op de bühne optrad.
Paula Wessely, Helene Thimig, Max Reinhardt, Salzburg

Max Reinhardt lukte het niet om in Amerika aan zijn succesvolle Duitse carrière aan te sluiten. Hij onderhandelde zonder resultaat continu met New Yorker producenten over verschillende theaterprojecten, terwijl Helene Thimig in Hollywood probeerde engagementen te krijgen[55]. Ook voor haar was de wissel in een ander taal- en cultuurgebied zwaar. Ze sprak eerst geen Engels en de manier waarop in Amerika toneel gemaakt werd, beviel haar maar gedeeltelijk. Alles leek haar te glad en te weinig diepgaand. Ook de druk van producenten, om altijd het commerciële succes in de blik te houden, vond ze lastig. Reinhardt en Thimig waren vanuit Duitsland gewend om op de bühne precies dat te doen, wat ze uit artistieke gezichtspunten voor juist hielden, onafhankelijk van welke economische overwegingen dan ook. Men speculeerde nooit daarop, wat een publiek misschien graag zou willen zien. Hun idee van artistieke vrijheid was uiteindelijk incompatibel met de winstgeoriënteerde “American way of life”.

Thimig speelde in enkele Hollywood-producties mee, meestal in kleine rollen, soms wel onder de regie van beroemde regisseurs zoals Fritz Lang (“Cloak and dagger”)[56] en Fred Zinnemann (“The seventh cross”)[57], ook Weense emigranten. Nadat Reinhardt geen producenten voor zijn toneelprojecten in New York kon vinden, richtten de twee in Hollywood de toneelschool “Max Reinhardt workshop” op.[58] Reinhardt had al met succes twee toneelscholen gerund - in Berlijn (vanaf 1905) en in Wenen (vanaf 1928)[59] - en kon op die manier steeds zijn eigen theaters met nieuwe, goed opgeleide acteurs verzorgen. In Amerika echter moest hij snel accepteren dat zijn leerlingen alleen maar in films wilden optreden en helemaal geen belangstelling vertoonden voor dat wat ze “artsy” en “sophisticated” noemden. Ze hadden volgens Helene Thimig geen begrip van de Europese theatergeschiedenis en -traditie en stonden er simpelweg niet voor open, om diep in te dringen in hun rollen die ze in de “workshop” bestudeerden. Alles bleef aan de oppervlakte hangen. Max Reinhardt trok zich daarom als leraar terug en droeg Helene Thimig de verantwoording voor de school over.[60]

Terug in Oostenrijk

1943 was Max Reinhardt aan de gevolgen van een beroerte in een New Yorker hotel overleden. Zijn weduwe Helene Thimig keerde na de oorlog naar Wenen terug waar ze direct weer als actrice werkte, van 1947 tot 1954 aan het “Burgtheater”, daarna aan het “Theater in der Josefstadt”, het oude theater van haar man.[61] In Salzburg ensceneerde ze “Jedermann” en tussen 1948 en 1954 leidde ze het “Max Reinhardt Seminar” in Wenen waar ze ook lessen gaf.[62] Sporadisch trad ze ook in films op.
Helene Thimig und Romuald Pekny in Der Unbestechliche, Salzburg 1971

Met haar collega Anton Edthofer, die ze al lang voor haar emigratie had leren kennen, ging ze een partnerschap aan die tot zijn dood in 1971 duurde. Anders als vaak vermeld trouwden ze niet.[63] Daarna woonde ze, hoe ze het zelf noemde, in “een commune” samen met twee van haar leerlingen: het stel Michael Heltau en Loek Huisman.[64]

Een van haar laatste grote successen vierde ze 1967 in de “Wiener Kammerspiele”, het kleine huis van het “Theater in der Josefstadt”. Aan de zijde van Julia Janssen, destijds al van het “Wiener Burgtheater” gepensioneerd, speelde ze in de komedie “Katzenzungen” van Miguel Mihura (1967). Deze opvoering werd door het Oostenrijkse TV ORF opgenomen en sindsdien herhaaldelijk uitgezonden.[65] Ook in het kader van de “Salzburger Festspiele” was ze laat in haar leven nog een keer te zien. Ze speelde toen de barones in “Der Unbestechliche” van Hugo von Hofmannsthal.[66]

Helene Thimig overleed op 7 november 1974 in Wenen.[67]

Helene Thimig in Nederland

1950 en 1969 presenteerde Helene Thimig haar ensceneringen van het beroemdste blijspel van de commedia dell´arte, “Der Diener zweier Herren” (“Il servitore di due patroni”) van Carlo Goldoni in Nederland.

Dit stuk had voor haar een bijzonder betekenis. Ze speelde de rol van Smeraldina namelijk vanaf 1924 onder de regie van Max Reinhardt en naast haar twee broers Hermann en Hans en haar vader Hugo Thimig. Destijds was de opvoering een sensatie en werd in Salzburg en Wenen vertoond. In 1969 speelden haar twee nichten, Henriette en Heidemarie (Heidi), dochters van Hans Thimig, mee.

Op 18 maart 1969 kondigde “Trouw” het gastspel als volgt aan:

“Voor de echte toneelliefhebbers is deze voorstelling vooral interessant, omdat de enscenering hiervan stoelt op de principes van de grote Duitse theatervernieuwer Max Reinhardt. Zijn weduwe, de niet minder bekende Helene Thimig (uit het beroemde Thimig-geslacht) voert regie.”[68]

Het “Algemeen Dagblad” gaf het ensemble geen pluim. Men schreef onder ander: “Het was een pijnlijke vertoning daar in de toneelzaal van het Haagse Congresgebouw…Een aantal acteurs en actrices van het Weense Tournee-Theater zat tegen een half verlichte zaal aan te kijken die voor een kwart was gevuld en het publiek tegen een middelmatige poging een stuk van Goldoni tot leven te brengen.”[69]

Helene und Hermann Thimig in Der Diener zweier Herren 1924
In “Het Parool” werd een wat minder negatief recensie gepubliceerd. Immers werden de acteurs geprezen, vooral de hoofrolspeler Franz Mössmer: “Zijn spel als de knecht van twee meesters bleef een sterke kern van deze opvoering die de nu 79-jarige Helene Thimig wel met grote finesse maar met te weinig schwung heeft geregisseerd.”[70]

Als actrice kon het Nederlandse publiek Helene Thimig twee keer zien. 1934 speelde ze onder de regie van Max Reinhardt koningin Elisabeth I in “Maria Stuart” van Friedrich von Schiller. Deze voorstelling van het Weense “Theater in der Josefstadt” werd in het kader van een tournee onder andere in Amsterdam, Den Haag, Rotterdam en Eindhoven vertoond.[71][72] Over haar Elisabeth werd in Nederland heel positief geschreven:

“Prijzen wij intusschen Helene Thimig, die de moeilijke rol van koningin Elisabeth heel mooi, hard en scherp, met temperament en later vol tragiek heeft gespeeld.”[73]
“Men kan over de opvatting van de rol van Elisabeth door Helene Thimig van mening verschillen, als men deze eenmaal aanvaardt, moet men erkennen, dat deze knappe actrice de figuur tot sterk en overtuigend leven bracht".[74]

Enthousiast was ook een andere recensent, die haar speel “meesterlijk” noemde. [75]

Dertig jaar later was ze in Nederland in het maar zelden gespeelde stuk “So ist es -ist es so?” (“Così è (se vi pare)”) van Luigi Pirandello te zien. De recensies waren ook deze keer heel positief. "Trouw" noemde de opvoering een “Ideaal voorbeeld van toneelspel” en Helene en Hans Thimig, die hier samen optraden, “een top-actrice en top-acteur van het Burgtheater”.[76]

Het "Algemeen Dagblad" schreef:

“Helene Thimig speelt deze nerveuze, schuwe en teruggetrokken vrouw vanuit alle registers van haar grote talent en zij bereikt een creatie die men niet licht vergeet. Hoe voortreffelijk en alles reeds tekenend zijn bijvoorbeeld haar opkomsten!”[77]


Helene Thimig heeft bijgedragen aan 4 productie(s).

Helene Thimig heeft gewerkt in de volgende functies:


Het gehele overzicht van voorstellingen waaraan Helene Thimig heeft meegewerkt, voor zover geregistreerd in de Theaterencyclopedie:

NB: Bij de carrièreoverzichten zijn de voorstellingen gekoppeld aan de premièredatum. Het kan echter voorkomen dat personen niet aan de première meewerkten, maar pas later bij de voorstelling betrokken raakten.

Curriculum Vitae Theatrum
Productie Functie Producent Seizoen Premièredatum In regie van
Diener zweier Herren Regie Österreichische Länderbuhne 1949/1950 29 mei 1950 Helene Thimig
Der Diener zweier Herren Regie Wiener Tournee-Theater 1968/1969 17 maart 1969 Helene Thimig
Maria Stuart Uitvoerende Theater in der Josefstadt 1933/1934 11 mei 1934 Max Reinhardt
So ist es - ist es so? Uitvoerende Wiener Tournee-Theater 1963/1964 9 april 1964 Oskar Willner

Bronnen

  1. Kürschners biographisches Theater-Handbuch, 1956, pag. 742
  2. Hadamowsky, Franz, Hugo Thimig erzählt, pag. 29 en pag. 210
  3. Hadamowsky, Franz, Hugo Thimig erzählt, pag. 11 en pag. 77
  4. – Arthur Kahane “Die Thimigs”, 1930
  5. Thimig-Reinhardt, Helene, Wie Max Reinhardt lebte…eine Handbreit über dem Boden, pag. 38-40
  6. – Arthur Kahane “Die Thimigs”, 1930
  7. Thimig-Reinhardt, Helene, Wie Max Reinhardt lebte…eine Handbreit über dem Boden, pag. 38-40
  8. Kürschners biographisches Theater-Handbuch, 1956, pag. 742
  9. – Arthur Kahane “Die Thimigs”, 1930
  10. Thimig-Reinhardt, Helene, Wie Max Reinhardt lebte…eine Handbreit über dem Boden, pag. 17-18
  11. Thimig-Reinhardt, Helene, Wie Max Reinhardt lebte…eine Handbreit über dem Boden, pag. 18
  12. - Helene Thimig radio-interview, USA 1968
  13. Thimig-Reinhardt, Helene, Wie Max Reinhardt lebte…eine Handbreit über dem Boden, pag. 18
  14. Kürschners biographisches Theater-Handbuch 1956, pag. 742
  15. - Meininger Museen Theatermuseum
  16. – “Meininger Prinzipien” van Georg II
  17. – Arthur Kahane “Die Thimigs”, 1930
  18. Thimig-Reinhardt, Helene, Wie Max Reinhardt lebte…eine Handbreit über dem Boden, pag. 32
  19. Kürschners biographisches Theater-Handbuch 1956, pag. 742
  20. – Arthur Kahane “Die Thimigs”, 1930
  21. Wolf, Gusti, Gusti Wolf erzählt aus ihrem Leben, pag. 42-43
  22. – Helene Thimig, Der Humorist, 20.05.1915
  23. Hadamowsky, Franz, Hugo Thimig erzählt, pag. 261
  24. Thimig-Reinhardt, Helene, Wie Max Reinhardt lebte…eine Handbreit über dem Boden, pag. 22
  25. – 200 Jahre Königliches Schauspielhaus, Deutschlandfunk, 26.05.2021
  26. Thimig-Reinhardt, Helene, Wie Max Reinhardt lebte…eine Handbreit über dem Boden, pag. 22
  27. Hadamowsky, Franz, Hugo Thimig erzählt, pag. 262
  28. - Tilla Durieux im Gespräch mit Friedrich Luft, "Das Profil" 1964/65, vanaf min 12:13
  29. - Deutsches Theater homepage
  30. Albach-Retty, Rosa, So kurz sind hundert Jahre, pag. 83
  31. – Max Reinhardt Wien Geschichte Wiki
  32. - Deutsches Theater homepage
  33. Thimig-Reinhardt, Helene, Wie Max Reinhardt lebte…eine Handbreit über dem Boden, pag. 192-193
  34. - Deutsches Theater homepage
  35. – Max Reinhardt Stadtmuseum Berlin
  36. Kürschners biographisches Theater-Handbuch 1956, pag. 742
  37. Thimig-Reinhardt, Helene, Wie Max Reinhardt lebte…eine Handbreit über dem Boden, pag. 22
  38. - Eva von Schilgen, Max Reinhardt, onlineportret stayinart
  39. – Helene Thimig radio-interview, USA 1968
  40. Edmund Reinhardt dies.; Brother of Max Was Manager of Latter’s Theatres, New York Times, 20. 07 1929
  41. – Max Reinhardt Stadtmuseum Berlin
  42. – Max Reinhardt Stadtmuseum Berlin
  43. –Alles oder nichts – Der Traum von Schale und Kern, Homepage Theater in der Josefstadt
  44. - Stolpersteine Salzburg Helene Thimig
  45. Thimig-Reinhardt, Helene, Wie Max Reinhardt lebte…eine Handbreit über dem Boden, pag. 140
  46. Thimig-Reinhardt, Helene, Wie Max Reinhardt lebte…eine Handbreit über dem Boden, pag. 36-37
  47. – Helene Thimig steffi-line
  48. - Helene Thimig, Deutschlandfunk
  49. – Max Reinhardt Stadtmuseum Berlin
  50. Thimig-Reinhardt, Helene, Wie Max Reinhardt lebte…eine Handbreit über dem Boden, pag. 168
  51. Thimig-Reinhardt, Helene, Wie Max Reinhardt lebte…eine Handbreit über dem Boden, pag. 195
  52. – Helene Thimig Iphigenie, steffi-line.de
  53. - Der Engel mit der Posaune, 1948 imdb
  54. Thimig-Reinhardt, Helene, Wie Max Reinhardt lebte…eine Handbreit über dem Boden, pag. 174
  55. Thimig-Reinhardt, Helene, Wie Max Reinhardt lebte…eine Handbreit über dem Boden, pag. 235
  56. – Cloak and dagger, 1946 imbd
  57. – The seventh cross, 1944 imdb
  58. Thimig-Reinhardt, Helene, Wie Max Reinhardt lebte…eine Handbreit über dem Boden, pag. 209
  59. - Homepage Max Reinhardt Seminar
  60. Thimig-Reinhardt, Helene, Wie Max Reinhardt lebte…eine Handbreit über dem Boden, pag. 209-216
  61. – Helene Thimig Wien Geschichte Wiki
  62. – Helene Thimig aan het Max Reinhardt Seminar
  63. Thimig-Reinhardt, Helene, Wie Max Reinhardt lebte…eine Handbreit über dem Boden, pag. 247
  64. Thimig-Reinhardt, Helene, Wie Max Reinhardt lebte…eine Handbreit über dem Boden, pag. 248
  65. - "Katzenzungen”, 1967 imdb
  66. – Der Unbestechliche – Salzburger Festspiele 1971
  67. – Helene Thimig Wien Geschichte Wiki
  68. Wiener Tourneetheater, Trouw, 18.03.1969
  69. Onder de maat, Algemeen dagblad, 24 maart 1969
  70. Weense Goldoni wat te statisch, Het Parool, 22 maart 1969
  71. Nieuwe Reinhardt-Tournée, Telegraaf, 1 mei 1934
  72. Reinhardt-Tournée “Maria Stuart”, Eindhovensch dagblad, 25 mei 1934
  73. Schiller’s ”Maria Stuart”, De Indische Courant, 2 juni 1934.
  74. Reinhardt-Tournée “Maria Stuart”, Eindhovensch dagblad, 25 mei 1934.
  75. Schiller herboren, Nieuwe Haarlemsche Courant, 17 mei1934.
  76. Ideaal voorbeeld van toneelspel, Trouw, 13 april 1964.
  77. Voortreffelijke Pirandello door het Wiener Tournéetheater, Algemeen Dagblad, 11 april 1964