Uit TheaterEncyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Biografie

T.S. Eliot (1888 – 1965) was een Amerikaans-Brits dichter, toneelschrijver en literatuurcriticus. Hij was een van de belangrijkste figuren uit de wereld van de literatuur van de 20e eeuw, een van de grootste vernieuwers van de poëzie, en kreeg in 1948 de Nobelprijs voor de Literatuur.

Eliot werd geboren als zoon van Henry Ware Eliot en Charlotte Champe Stearns. Zijn grootvader van vaderskant, William Greelleaf Eliot, was de stichter van een unitaristische kerk in St. Louis en oprichter van de Washington University. Na zijn middelbare school volgt Eliot een voorbereidingsjaar aan Smith's Academy, waar hij Oud-Grieks, Latijn, Frans en Duits leert. Van 1906 tot 1909 studeert hij letteren en filosofie in Harvard, waar hij colleges volgt bij George Santayana, Babbit, William James en Royce. Later studeert hij in Parijs aan de Sorbonne, waar hij colleges volgt bij Henri Bergson. In 1911 keert hij terug naar Harvard, waar hij enige tijd Sanskriet en Pali studeert.

In 1914 krijgt hij een beurs om aan het Merton College te Oxford te studeren. Via London en Marburg, Duitsland, komt hij uiteindelijk in Oxford aan, maar na een jaar verlaat hij het college weer. In 1915 trouwde Eliot met Vivienne Haigh-Wood. Het werd een ongelukkig huwelijk, mede door een hormonale aandoening van Vivienne, die hevige stemmingswisselingen veroorzaakte. Het jonge paar woonde enige tijd in het appartement van Bertrand Russell.

Na enkele jaren docent te zijn geweest aan de Highgate School en de Royal Grammar School in High Wycombe, kiest Eliot voor een positie bij de Lloyds bank, op de afdeling buitenlands betalingsverkeer. Daarnaast was hij werkzaam als assistent-redacteur bij The Egoist (1917-1919). Ook begon hij een eigen tijdschrift, The Criterion (1922-1939), waarin hij in 1922 The Waste Land publiceert. Het redigeren van The Criterion leverde Eliot een indrukwekkend netwerk op, met onder andere auteurs zoals James Joyce en Marcel Proust. Het redigeren van het tijdschrift is echter moeilijk te combineren met zijn baan op de bank. Tijd voor eigen werk was er amper nog. Pas wanneer hij in 1925 de bank verlaat en een plaats in de directie van de nieuwe uitgeverij Faber and Gwyer, later Faber and Faber accepteert, komt hierin verandering.

In 1927 treedt Eliot, tot verbijstering van sommige van zijn vrienden, toe tot de Anglicaanse Kerk. Daarnaast besluit hij zijn Amerikaanse nationaliteit op te geven en wordt hij Brits onderdaan. Als de Universiteit van Harvard hem de Charles Eliot Norton-leerstoel voor het jaar 1932-1933 aanbiedt, vertrekt hij naar de Verenigde Staten, zijn vrouw in Engeland achterlatend.

In 1933 kwam er een eind aan het huwelijk met Vivienne; met medewerking van haar familie kreeg Thomas controle over haar vermogen en liet hij haar opsluiten in een psychiatrisch ziekenhuis, waar ze de laatste negen jaar van haar leven zou slijten. Eliot zou haar tot haar dood in 1947 nog één keer bezoeken.

In 1948 won hij de Nobelprijs voor de Literatuur, met name voor de Four quartets, het werk dat Eliot zelf als zijn meesterwerk beschouwde.

In 1957 trouwde Eliot met Esmé Valerie Fletcher, die vanaf 1949 zijn secretaresse was geweest bij Faber en Faber. Het werd een gelukkig, maar kort huwelijk. Op 4 januari 1965 overleed Eliot in Londen. Zijn lichaam werd gecremeerd; de as werd overgebracht naar St. Michael's Church in East Coker, de plaats waarvandaan zijn voorouders naar Amerika emigreerden.

Theater/Dans

Een chronologisch en daaronder een alfabetisch overzicht van de voorstellingen die in première zijn gebracht, c.q. die in Nederland te zien zijn geweest en waarbij hij geregistreerd werd in de Productiedatabase als auteur, alsmede zijn overige bijdragen aan voorstellingen

 
De moord in de kathedraal - Amsterdams Toneelgezelschap (A.T.G.) - 1949-10-29
De cocktailparty - De Nederlandse Comedie - 1952-01-18
De particulier secretaris - De Nederlandse Comedie - 1954-11-06
Een staatsman van verdienste - Toneelgroep Theater - 1959-09-19
Hoelabaloe - Robert Borremans - 1970-12-13
Cats - Stichting Carré Theaterprodukties - 1987-07-18
Monologue - Het Concern - 1990-11-01
Moord in de kathedraal - Haarlems Toneel - 1992-06-03
Cats - Stichting Carré Theaterprodukties - 1992-11-17
Familiereünie - Hogeschool voor de Kunsten Arnhem - 1994-06-13
Liefde van zeven poppen - Theatergroep Laan van Poot - 1998-03-08
Cocktail Party - De Tijd vzw - 1999-09-28
The Waste Land - Terschellings Oerol - 2005-06-11
Cats - Joop van den Ende Theaterproducties BV - 2006-10-07
Readings - Théâtre National de Chaillot - 2007-05-30
WeerSlechtWeer - Toneelhuis - 2008-06-11
I Went to The House But Did Not Enter - Théâtre Vidy-Lausanne - 2009-06-17
Of Wittgenstein - De Tijd vzw - 2010-01-08
Time - Euritmie & Theater Impresariaat Nederland - 2016-04-22
Cats - The Really Useful Group - 2018-12-20

The Waste Land

T.S. Eliot, gefotografeerd door Lady Ottoline Morrell (1934)

In de periode tussen 1917 en 1922 schreef Eliot zijn eerste grote werken: Prufrock and Other Observations (1917), Poems (1920) en The Waste Land (1922). In deze gedichten, die doordrongen zijn van het cultuurpessimisme van na de Eerste Wereldoorlog, beschrijft Eliot het lijden, de ontluisterende ervaring van de grote stad, de onvruchtbaarheid en de uitzichtloosheid van het moderne bestaan en de absolute isolatie van ieder individu door het geestelijke en morele failliet en de verspilling van de goddelijke liefde.

The Waste Land, onder redactie van vriend en dichter-criticus Ezra Pound, kreeg onmiddellijk aandacht van de literaire kritiek en het publiek en vestigde Eliots reputatie als een belangrijk dichter. De complexe structuur en de afwezigheid van romantische lyriek betekenden een radicale breuk met de negentiende-eeuwse poëtische tradities. In 'The Waste Land' toont Eliot een cultuur van verspilling en verval, van lusteloze en doelloze seksualiteit, van eenzaamheid en godsverduistering, kortom een cultuur die niet meer gedragen wordt door de liefde, maar door de dood. 'The Waste Land' is overladen met literaire verwijzingen en citaten. Eliot greep onder meer terug op de herinneringen van Maria Larisch, een beschermelinge van de Oostenrijkse keizerin Elisabeth, de religieuze antropologie, James George Frazers The Golden Bough, op Dantes beschrijvingen van de hel, de Franse symbolisten, zoals Charles Baudelaire, Jules Laforgue en Stéphane Mallarmé, christelijke en hindoestaanse teksten, zoals de Confessiones van Augustinus, de Pentateuch en de Bhagavagitha, op het libretto van Wagners 'Tristan und Isolde', de filosofie van F.H. Bradley, Shakespeares 'Anthony and Cleopatra' en op de graallegende, zoals beschreven door Jessie Weston.

Kritische werken

Eliots kritische werk bestaat uit een dissertatie, Knowledge and Experience in the Philosphy of F.H. Bradley, enkele bundels kritieken en essays, waaronder 'The Sacred Wood' (1920), 'After Strange Gods', 'For Lancelot Andrewes' (1928) en 'Essays Ancient and Modern' (1936) en 'On Poetry and poets' (1957) , en twee cultuurfilosofische studies, het onvoltooid gebleven 'The Idea of a Christian Society' (1939) en 'Notes Towards the Definition of Culture' (1948). Zijn essays zijn grofweg te verdelen in drie groepen; essays over de literatuur in het algemeen onder meer 'Tradition and individual talent', 'The Use of Poetry and the Use of Criticism', 'Religion and Literature', en 'What is a Classic' , beschouwingen over individuele schrijvers onder wie Philip Massinger, Dante Alighieri, John Milton, de "Metaphysical Poets" (John Donne, Herbert, Vaughan), Andrew Marvell, Percy Bysshe Shelley, William Blake, Matthew Arnold, Lord Alfred Tennyson, Charles Baudelaire, William Butler Yeats en James Joyce, en filosofische opstellen over het humanisme en het christendom, onder meer over Blaise Pascal, F.H. Bradley, Irving Babbit, Lancelot Andrewes en John Bramhall. Zijn essays, die algemeen worden gezien als de belangwekkendste bijdragen uit het Engelse taalgebied aan de literatuurreceptie van de 20e eeuw, hebben een diepgaande invloed uitgeoefend op het denken over de relatie tussen religie, cultuur en literatuur, op voor de herziening van de Engelse canon. Dichters als Donne en Herbert, die voordien als 'minor poets' werden beschouwd, ondergingen een grondige herwaardering en werden opnieuw op de literaire kaart gezet, en gevestigde literaire grootheden als Milton en Shelley worden bekritiseerd op hun soms gebrekkige metrum en taalgebruik. Zijn cultuurfilosofische studies, met name 'Notes towards a Definition of Culture', hebben veel waardering en navolging gevonden onder meer bij F.R. Leavis, Roger Scruton en George Steiner.

Latere werken

In Eliots latere werk, na zijn bekering tot de Anglicaanse Kerk in 1927, nam hij meer en meer afstand van de enigszins oppervlakkige religieuze antropologie en het cultuurpessimisme die The Waste Land kenmerkten, en werd zijn poëzie nadrukkelijk christelijk van karakter. In een essay verklaarde hij anglo-katholiek te zijn in de godsdienst, een classicist in de literatuur en een royalist in de politiek. In deze periode publiceerde hij Hollow Men, Journey of the Magi (1927), A Song for Simeon (1928), Animula (1929), Marina (1930), Ash-Wednesday (1930)', en zijn magnum opus Four Quartets (1943)'. Dit laatste gedicht, dat de sporen draagt van Augustinus, Dante, Johannes van het Kruis, het boek Prediker en het Nieuwe Testament, bestaat uit vier gedichten, die elk gewijd zijn aan een van de vier elementen. De titels van de gedichten verwijzen naar plaatsen die een bijzondere plaats in Eliots leven speelden; Burnt Norton, East Coker, The Dry Salvages en Little Gidding. Elk gedicht is opgedeeld in vijf canto's. Elk bevat een theologisch-filosofische meditatie over het wezen van de tijd. Het gedicht kan worden beschouwd als een christelijke odyssee, een mystieke zoektocht en terugkeer vanuit het tijdelijke naar de eeuwige tijd in God. Een heel eigen plaats in zijn oeuvre nemen de katten-gedichten in, die Eliot geschreven heeft voor zijn vrienden: Old Possum's Book of Practical Cats. Deze gedichten liggen aan de basis van de musical Cats.

Toneelwerken

Eliot schreef ook drama, waarvan de belangrijkste stukken Murder in the Cathedral, dat gewijd is aan de moord op Thomas Becket (1935), The Family Reunion (1939), The Cocktail Party (1949), The Confidential Clerk (1953) en The Elder Statesman (1958) zijn.

Invloed

De poëzie van Eliot heeft een diepgaande invloed uitgeoefend op de poëzie van de 20e eeuw. Dichters als W.H. Auden, Stephen Spender, Wallace Stevens en in Nederland Martinus Nijhoff hebben zijn invloed ondergaan. Laatstgenoemde vertaalde onder andere 'The Lovesong of J. Alfred Pruffrock' en 'the Journey of the Magi' uit de Ariel Poems.

Figuur in romans

Eliot en zijn 'Four Quartets' spelen belangrijke rollen in het romandebuut 'De Archivaris' van Martha Cooley.

Bibliografie

  • Prufrock and other Observations 1917
  • Poems 1919
  • The Sacred Wood 1920
  • The Waste Land 1922 (vertaling 2007 door Paul Claes, met commentaar en nawoord: Het barre land)
  • Hommage to John Dryden 1924
  • The Hollow Men 1925
  • Poems 1925
  • Shakespeare and the Stoicism of Seneca 1928
  • For Lancelot Andrewes 1928
  • Ash Wednesday 1930
  • Sweeney Agonistes 1932
  • The Use of Poetry and the Use of Criticism 1933
  • After Strange Gods 1934
  • Elisabethan Essays 1934
  • The Rock 1934
  • Murder in the Cathedral, 1935
  • Essays Ancient and Modern 1936
  • Collected Poems 1936
  • Old Possum's Book of Practical Cats 1939
  • The Family Reunion 1939
  • The Idea of a Christian Society 1940
  • Four quartets 1943
  • Notes Towards a Definition of Culture 1948
  • Cocktail Party 1950
  • Poetry and Drama 1953
  • The Confidential Clerk 1953
  • The Three Voices of Poetry 1954
  • The Elder Statesman 1959
  • Collected Poems 1909-1962 1963

Bronnen