De TheaterEncyclopedie is vernieuwd!

Uit TheaterEncyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

51xxx1352.004.jpg


Max Tailleur, 1960. Foto: Hans Dukkers/MAI.

NaamMax Tailleur
Geboren12 juni 1909
Amsterdam
Overleden12 november 1990
Amstelveen
BeroepKomiek, Tekstschrijver
TrefwoordenCabaret

Mozes (Max) Tailleur (Amsterdam, 12 juni 1909 – Amstelveen, 12 oktober 1990) was een Joods-Nederlandse humorist. Hij specialiseerde zich in Joodse humor en verwierf roem met zijn Sam-en-Moos-moppen.

Moppenarchief van Max Tailleur gedigitaliseerd

Max Tailleur verzamelde de moppen van de Geinlijn in 8 kaartenbakken, alfabetisch op onderwerp. De kaartenbakken maken deel uit van het archief dat Max Tailleur heeft nagelaten aan Theater Instituut Nederland.

Een deel van deze moppen zijn gedigitaliseerd in de vorm van een bladerboek:

Kaartenbak.jpg Open HIER de Kaartenbak!

Biografie

Max Tailleur (Mozes Tailleur, Amsterdam 12-6-1909 - Amstelveen 12-10-1990) werd geboren in een eenvoudig gezin in de Amsterdamse Jodenbuurt. Na een paar jaar ULOonderwijs nam zijn vader hem als veertienjarige in dienst als handelsreiziger. In 1926 vertrok hij naar Antwerpen om er als diamantslijper in het bedrijf van een oom te werken, maar al snel bleek dat hij liever op het toneel stond. Hij vond een engagement bij het theatergezelschap Kindermans om in operettes mee te zingen in het koor. Ook speelde hij er kleine rollen en had hij zelf wat succes met zijn imitatie van de Amerikaanse zanger Al Jolson met het liedje 'Sunny Boy'. Na zeven jaar bij het gezelschap raakte hij ernstig overwerkt en keerde hij terug naar Amsterdam. Tailleur trad wederom kortstondig in dienst bij zijn vader, verliet het vak en werd tekstschrijver voor amateurartiesten. In 1936 trouwde Max Tailleur met Sophia Wijnschenk (1908-1990) en keerde hij met haar terug naar Antwerpen alwaar hij weer als diamantbewerker aan de slag ging. In de avonduren trad hij op als conferencier in verschillende bioscopen.

In mei 1940 probeerde Tailleur tevergeefs via Duinkerken Groot-Brittannië te bereiken. Eenmaal terug in Antwerpen trad hij op als conferencier, komiek, liedjeszanger en zelfs balletdanser. In de zomer van 1942 probeerde hij opnieuw via Frankrijk en Zwitserland naar Groot-Brittannië te komen. Tailleur belandde in het Zwitserse interneringskamp Cossonay, waar hij al snel werd belast met de zorg voor het vermaak van de Nederlandse geïnterneerden. Nadat zijn vrouw ook naar Zwitserland had kunnen komen, werden ze ondergebracht in het familiekamp Montpellerin, waar Tailleur in de keuken werkte. In zijn vrije tijd deed hij mee aan cabaretvoorstellingen. Na de geallieerde landingen in Normandië liet de Zwitserse regering de geïnterneerden in de herfst van 1944 vrij. Tailleur werd opgenomen in de Koninklijke Nederlandsche Brigade 'Prinses Irene' en was tot juni 1946 stafmedewerker van prins Bernhard op Paleis Soestdijk.

Eind 1945 ontmoette Tailleur in Antwerpen de revueartiesten Willy Walden (1905-2002) en Piet Muyselaar (1899-1978), die hem vroegen teksten te schrijven voor hun nieuwe 'Snip en Snap'-revue. Eenmaal terug in Amsterdam besloot hij zich volledig te richten op het schrijven van teksten en liedjes voor verschillende artiesten, alhoewel hij zelf ook nog graag optrad. In het seizoen 1947/1948 ondernam hij met Sylvain Poons (1896-1986) en andere artiesten tournees door Nederlands-Indië en Nieuw-Guinea.

Terug in Nederland stelde Tailleur een eigen toneelgroep samen, die tussen 1950 en 1952 optrad voor joodse verenigingen in heel Nederland met stukken als Tevje de melkboer, Elias weet 't beter, Abie's lrish Rose en De ouwe Sieglitz. Tailleur had aanvankelijk succes met de eigen bewerkingen van de bestaande jiddische stukken, maar al gauw leed de onderneming verlies en werd het geheel opgedoekt. Na dit fiasco kon hij onverwacht als invaller optreden in het cabaret 'Wiener Café' van Tony Hartweger in Noordwijk. Hier oogstte hij veel succes met het vertellen van grappen: hij besloot een eigen moppencabaret te beginnen.

Tailleur vond Piet Ordeman bereid hiervoor zijn slecht lopende café aan het Amsterdamse Rembrandtplein beschikbaar te stellen en op 7 november 1952 begon hier het cabaret 'De Doofpot'. Tailleur debuteerde er als moppentapper in een programma dat werd opgeluisterd door enkele bekende musici en vocalisten. Dit cabaret werd, tegen ieders verwachting in, al vanaf de eerste avond een groot succes. Iedere avond vertelde Tailleur in hoog tempo zo'n 250 moppen, die een mengsel waren van Amsterdamse gein en Jiddische humor. Hij putte de moppen uit een door hem zelf aangelegd kaartsysteem, dat aan het eind van zijn leven zo'n 50.000 grappen zou bevatten.

Het blijvende succes van 'De Doofpot' bracht een ommekeer in Tailleurs leven. Hoewel hij zelden voor de radio of de televisie optrad, kreeg hij met zijn cabaret toch snel landelijke bekendheid. Zijn grappen verschenen na enige jaren ook in boekvorm en op grammofoonplaten en in boekvorm, die in grote aantallen werden verkocht. In oktober 1957 ontving hij zijn eerste gouden plaat, daarna gingen er jaarlijks tienduizenden platen over de toonbank. Het eerste boekje Langs m'n neus weg, dat in 1953 verscheen, werd matig verkocht, maar van het volgende boekje Met een mop de wereld rond (1963) werden in tien jaar 270.000 exemplaren verhandeld. Van de volgende bundeltjes Van sex-tien tot sex-tig (1968), Geloof me (1972) en Jiddisch fruit (1973) werden eveneens grote aantallen verkocht. Tot 1988 werden nog tien bundels samengesteld, die aanvankelijk herhaalde malen herdrukt werden. In totaal zijn er 1,6 miljoen moppenbundels verkocht.

In de zomer, als 'De Doofpot' gesloten was, reisde Tailleur langs de Nederlandse emigranten overzee; in totaal maakte hij veertien van dergelijke wereldtournees. Ook trad hij dan overal in eigen land op, in september 1961 voor het eerst ook in een schouwburg. Gaandeweg werden de lange reizen en optredens hem te zwaar. In oktober 1961 belandde Tailleur overwerkt en met maagklachten in het ziekenhuis. Het jaar daarop overkwam hem hetzelfde tijdens een tournee door Nieuw-Guinea, zodat hij die voortijdig moest afbreken. Al in 1956 openbaarden zich bij Tailleur reumatische pijnen, die steeds in hevigheid toenamen. Tijdens een opname in het ziekenhuis in 1962 bedacht Tailleur het plan om ter gelegenheid van het tienjarig bestaan van 'De Doofpot' een fonds te stichten ten bate van reumapatiënten. In maart 1966, toen hij opnieuw in het ziekenhuis werd opgenomen, besloot hij met 'De Doofpot' te stoppen. Hij trad zelf al vrijwel niet meer op en zou op 21 oktober 1969 in Eindhoven echt voor de allerlaatste keer op de planken staan.

Actief bleef hij echter wel. Al in 1967 richtte hij de stichting 'Beter met Max' op (later de Max Tailleurstichting genaamd). Deze stichting zamelde geld in voor minder draagkrachtige reumapatiënten. Een groot deel van het geld hiervoor werd verkregen door de verkoop van gebruikte kledingstukken, die huis aan huis werden opgehaald. Toen de prijzen van de afgedankte kleding met meer dan de helft kelderden, ontstond binnen het stichtingsbestuur onenigheid over de besteding van de verminderde inkomsten. Voor Tailleur was dit in november 1987 de aanleiding als directeur uit de stichting te treden. Na liquidatie van de Max Tailleurstichting richtte hij in april 1988 de nieuwe stichting 'Geef Max de zak' op, die op dezelfde wijze en voor hetzelfde doel fondsen wierf.

Naarmate Tailleurs fysieke klachten in de loop der jaren verergerden, werd hij steeds afhankelijker van de zorgen van zijn echtgenote. Toen zij in augustus 1990 plotseling overleed, overleefde Max Tailleur haar niet lang: bijna twee maanden later stierf hij zelf op 81-jarige leeftijd.

Geinlijn

In mei 1971 opende Tailleur een telefoonnummer dat mensen konden bellen om een opname van 'de mop van de dag' te horen. In de topjaren werd er per jaar meer dan acht miljoen keer naar deze 'geinlijn' gebeld. Ondanks de roem die hij met zijn 'Sam en Moos' -moppen verwierf, was niet iedereen ingenomen met dit soort humor. Sommigen achtten hem platvloers en vooral in de eigen joodse kring ontmoette hij veel weerstand, omdat zijn grappen als smakeloos en zelfs racistisch werden ervaren.

Archief Max Tailleur

Het persoonlijk archief van Max Tailleur werd nagelaten aan Theater Instituut Nederland. Het archief beslaat de jaren 1942 tot 1989 en bevat ondermeer correspondentie, teksten, bladmuziek en een moppenarchief in 8 kaartenbakken. Max Tailleur bezat ook een verzameling boeken over humor; deze werd na zijn dood geschonken aan de bibliotheek van de Vrije Universiteit Amsterdam.

Theater/Dans

Een overzicht van de voorstellingen die in première zijn gegaan en waarin hij is opgetreden en voorzover geregistreerd in de Productiedatabase

Idem de voorstellingen in een regie van hem

Idem de voorstellingen waarbij hij geregistreerd werd als auteur

Idem voor de muziek

Idem de voorstellingen waarvoor hij geregistreerd werd als producent

Boeken

  • Langs m'n neus weg (1953, met een inleiding van Henri Knap)
  • Met een mop de wereld rond (1963)
  • Van sex-tien tot sex-tig (1968)
  • Lachen met Max (1970)
  • Pot voor meneer (mevrouw) (1970)
  • Geloof me (1972)
  • Mazzelman en Nebbishman (1977)
  • Geen Geintjes (1976, met Eppo Doeve)
  • 3x daags 1 mop (1978, illustraties Eppo Doeve)
  • Asjemenou (1980)
  • Jiddisch fruit (1981)
  • Langs m'n neus weg (1981)
  • Wat sex je me nu (1982)
  • Kleedt u zich maar even uit (1983)
  • Soft Drukkies (1984, illustraties Will Berg)
  • Horen Zien en Smoezen (1985)
  • Lach er om (1988)
  • Mot je horen
  • Sam en Moos - de beste moppen van Max Tailleur (2010)

Lijfspreuk

Zijn lijfspreuk luidde: "Ik lach om niet te huilen".

Externe Links

  • Biografisch Woordenboek van Nederland - Uitgebreide biografie met informatie over zijn problemen met reuma, de stichtingen die hij oprichtte om geld in te zamelen ten behoeve van minder draagkrachtige reumapatiënten, vooral door oude kleding op te halen ("Beter met Max", "Geef Max de zak"), en hoe hij uiteindelijk in de vergetelheid raakte.

Bronnen

  • Roosje Keijser, Inventaris van het archief van Max Tailleur, Theater Instituut Nederland 2004.
  • Jan Luitzen: Max Tailleur - mijn leven was geen mop (2010)