De TheaterEncyclopedie is vernieuwd!

Decoratelier

Uit TheaterEncyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Informatie

Decoratelier is de gebruikelijke naam voor een specifieke werkplaats waar decors worden vervaardigd.

Door de jaren heen heeft de aard van de werkzaamheden die in dit soort specifieke werkplaatsen werden uitgevoerd zich zowel ontwikkeld aan de hand van de soort theatervormgeving die in de podiumkunsten uit die tijd gebruikt werden, als aan de algemene toenmalige kennis, materialen en gebruiken in de diverse technische vakgebieden die werden toegepast. Zo zal in de tijd waarin coulissendecors gebruikelijk waren, vooral de technieken gebruikt zijn voor het beschilderen van grote achterdoeken en coulissen, alsmede voor de constructie van de panelen en machinerieën van hout, die nodig waren voor de changementen. Veel van deze technieken van zijdelings verschuivende en verticaal bewegende decoronderdelen, aangedreven door touwen via katrollen en opwind trommels, kwam bijvoorbeeld voort uit de zeilscheepvaart van die tijd. De decor-werkplaatsen zullen in veel gevallen daardoor nauwelijks hebben verschild van andere in die maatschappij.

Pas aan het begin van de 20tigste eeuw toen decors een meer specifieke dramaturgische rol gingen spelen in de theatervormgeving en ook reizende gezelschappen steeds vaker hun eigen decors meenamen, ontwikkelden zich ook meer specifieke ateliers, die zich behalve op de uiterlijke vorm ook richten op een wijze van constructie, die het opbouwen, verplaatsen en transporteren van decors beter mogelijk maakten. Door deze specialisatie werd, vaak ook om economische redenen, naar steeds efficiëntere materialen en constructies gezocht voor de decorbouw.

In de tijd dat vooral standaarddecors werden gebruikt in Nederland, beschikten vooral theaters over een eigen decorateliers. Na de 2e WO werden decorateliers echter veelal een organisatorisch onderdeel van de gezelschappen die ook de voorstellingen produceerden. Tegelijkertijd ontwikkelde zich een markt van onafhankelijke ateliers, die in de eerste plaats allerlei soorten decoraties konden leveren voor bijvoorbeeld tentoonstellingen en televisie- en filmdecors, maar ook wel voor theaterproducties.

Mede door de steeds hogere kwaliteits-eisen die ontwerpers en regisseurs in de laatste decennia van twintigste eeuw gingen eisen, gecombineerd met de introductie van steeds nieuwe materialen, waaronder metalen, kunsttoffen e.d., constructie-mogelijkheden en geavanceerde technieken, werd het vaak economische interessanter om de decorbouw uit te besteden aan onafhankelijke ateliers. Veel grote theatergezelschappen gingen daarom hun ateliers afstoten of maakten deze zelfstandig, waarbij soms hele specifiek ontwikkelde kennis en ervaring van historische bouwmethoden voor decors, verloren dreigden te gaan; in het bijzonder ook de kunst van het beschilderen van grote achterdoeken.

Een uitzondering op deze trend, bleek bij de ingebruikneming van Het Muziektheater, Amsterdam in 1986 waarbij de toenmalige De Nederlandse Opera, thans De Nationale Opera een nieuw groot decoratelier liet bouwen, waarbinnen de traditionele decorbouw technieken zich op het hoogste niveau verder konden ontwikkelen met nieuwe materialen, technieken en werkwijzen.