Interview: Loes Luca over spelen op De Parade

Uit TheaterEncyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Loes Luca op De Parade; privéarchief

Dit jaar bestaat Reizend theaterfestival De Parade 30 jaar. Een zuur jubileum, want vanwege de gevolgen van COVID-19 missen we deze zomer de zweefmolen, poffertjes en vooral de kleurrijke tentjes en net zo kleurrijke artiesten. De toekomst van het festival staat op losse schroeven.

Theatermaker Loes Luca was vanaf het begin van De Parade betrokken, onder andere met de band Nénette et Les Zézettes, jarenlang een grote hit op het festival. Ze deelt haar warme herinneringen aan 30 jaar Parade.

Hoe ben je terecht gekomen bij de Parade?
“De Parade begon onder de naam Boulevard of Broken Dreams, dat onder andere op het Museumplein stond. Dat was een knus festival, veel kleiner dan nu. Toen hadden we de Spiegeltent, daar trad het vaste festivalorkestje op. Heel sfeervol.

Hoe ik er zelf precies bij ben gekomen, weet ik niet meer, maar ik vermoed dat het via Gerard Thoolen was. Daar vormde ik toen een zangduo mee, en via hem leerde ik Terts (Brinkhoff, oprichter van De Parade, red.) kennen. Dat klikte goed. Terts kwam altijd met hele vage ideeën, die je zelf uit moest werken. Dan beloofde hij van alles wat uiteindelijk niet bleek te kunnen en dan waren we boos. Maar je vergaf het hem altijd. Uiteindelijk deed je het allemaal voor Terts. En voor jezelf natuurlijk, omdat het zo’n leuk zigeunersbestaan is.

Ik heb achttien jaar lang meegedaan. Daarna ben ik gestopt; als je achttien bent, moet je de deur uit, vond ik. Al ben ik nog wel een keer teruggekomen voor het 25-jarig jubileum.”

De Parade reist langs Amsterdam, Utrecht, Den Haag, Rotterdam en dit jaar zou Eindhoven daaraan worden toegevoegd. Wat zijn de leukste plekken om te spelen?
“Den Haag is eigenlijk het leukst, daar komt het publiek vaak echt voor het toneel. Rotterdam is ook fijn, daar is het niet zo groot. In Amsterdam is het één groot rosé-festival, daar is wat minder aandacht voor de voorstellingen. Dat vind ik jammer, maar het is er ook gezellig.

Vroeger stonden we ook in Maastricht, dat was een hele leuke plek. Antwerpen was ook geweldig, de kroegen gaan daar nooit dicht en De Parade ging dus ook door zolang er volk was. Toen was het festival nog een stuk kleiner.”

Wat is echt typerend voor De Parade?
“Het zijn vrij toegankelijke voorstellingen, zonder kapsones. En dan lekker proppen om het hele publiek in een tentje te passen, dat is zo leuk. Gloeiend heet altijd, in zo’n tent kan het 50 graden worden. Bovendien droeg ik bijna altijd een dikmaakpak, of meerdere kostuums over elkaar heen. Dat is na één voorstelling helemaal bezweet, en de tweede voorstelling moet je dat dan weer aantrekken. Ik heb weleens zakken in mijn kostuum genaaid waar ik koelelementen in kon stoppen.

Het was óf die hitte, óf met je kaplaarzen door de modder. Vaak dachten we dat het wel mee zou vallen met de regen, en moesten we toch weer met z’n allen de stad in om kaplaarzen te kopen.”

Loes Luca met toentertijd Prins Willem-Alexander; privéarchief
Loes Luca op De Parade; privéarchief
Loes Luca op De Parade; privéarchief

Wat zijn je hoogtepunten uit 30 jaar Parade?
“We hebben jaren gehad dat er bijna geen publiek was; dan zat er in Den Haag negen man in de zaal. Ook dan was het gezellig, maar toen het goed liep, hadden onze voorstellingen 1500 man publiek per avond. En die gingen altijd vrolijk de tent uit. Dan maak je 1500 mensen blij, daar word je zelf ook heel blij van!”

Hoe zag je leven er tijdens het festival uit?
“Het was héél gezellig met elkaar, en enorm hard werken. Er was altijd een groot saamhorigheidsgevoel, zeker toen het festival nog kleiner was. Dan zat je met dertig tot veertig man samen te ontbijten. Je kende iedereen. Mijn dochter Nina was toen nog heel jong; het was een paradijs voor opgroeiende kinderen. Ze liepen altijd te schooieren, op zoek naar geheime plekjes of muntjes die de bezoekers hadden laten vallen. Ze konden daar heel vrij zijn, maar tegelijkertijd stond er een veilig hek omheen.

Het stond altijd ook wel voor drank. ’s Middags dronk ik dan spritzes, wijn gemengd met Spa rood, en dat werden er ongemerkt altijd meer dan je dacht. Aan het einde van de avond ging je met z’n allen naar de doorzak, daar raakte je je stem kwijt van het meezingen en schreeuwen. Dat was zo gezellig met elkaar. Ik kende iedereen, en iedereen kende mij. Dat is nu wel veranderd, maar ik geniet ook van het jonge volk dat er nu rondloopt.”

Wat is er nog meer veranderd in die 30 jaar?
“Het festival is veel groter geworden. Het aanbod is groter, dat is op zich leuk. Maar ik vind dat er nu teveel mensen komen, het is er te druk. Dat zorgt voor een heel andere sfeer. Het is niet meer gebruikelijk dat iedereen elkaar kent. Het draait nu ook meer om eten en drinken, sinds wanneer kun je er zoveel eten? Vroeger was er geloof ik één kraampje waar je Indonesisch kon halen.

Qua aanbod mis ik wel dat visuele theater van groepen zoals De Stijle, want.... Dan kom je bijvoorbeeld ergens binnen, moet je je hoofd door een plank steken en blijkt dat je hoofd op een bord ligt, en je een maaltijd bent. Dat zijn eigenlijk grote theatergrappen. Zulke dingen mis ik wel, maar je moet niet alles gaan terughalen. Lekker nieuwe dingen verzinnen!”

Wat zijn je plannen voor komend theaterseizoen?
“Deze zomer neem ik een nieuwe televisieserie op (dramaserie Maud en Babs, red.). Ik ben benieuwd hoe dat nu gaat. Er schijnt iemand met een meetlint rond te lopen om te kijken of alles op anderhalve meter afstand gebeurt. Ik heb daar ook een zoenscène, maar dan moeten we ons allebei de dag ervoor laten testen en mogen niemand zien in de tussentijd.

Vanwege de coronacrisis heb ik een theatertournee af moeten zeggen. Dat was mijn eigen productie, dus dan ben je de lul. Het valt me enorm tegen hoe weinig steun en begrip er is vanuit de overheid. Die voorstelling ga ik echt pas weer oppakken als we weer voor volle zalen mogen spelen, want het is een kwetsbare, autobiografische voorstelling. Daar heb je je publiek echt nodig, naar het theater gaan doe je toch ook met elkaar. Het mag ook voor veertig man, maar dan moet het ook een zaal zijn waar oorspronkelijk maar veertig man inpassen.

In april ga ik met Pierre Bokma repeteren voor een nieuw stuk van Maria Goos. We mogen veel verschillende personages spelen, van vervelende pubers, tot deftige mensen, tot mensen aan de rand van de samenleving. Daar hebben we ontzettend veel zin in.”

En De Parade, zou je ooit nog weleens mee willen doen?
“Ik heb altijd gezegd dat ik nog één keer terugkom, als ik héél oud ben. Dan wil ik op een piano liggen en liedjes zingen, met een sigarettenpijp in m’n mond. Maar het duurt nog heel lang voordat ik heel oud ben.”

Dit interview komt voort uit het thema rondom theaterfestivals. Kijk voor het actuele thema op de Nu Centraal-pagina.

Nieuwsgierig naar alle andere interviews op de Theaterencyclopedie? Kijk snel op de overzichtspagina!