Interview: David Middendorp over dans en technologie in zijn werk

Uit TheaterEncyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
productiefoto HandsON

David Middendorp, choreograaf en artistiek leider van Another Kind of Blue, verweeft in zijn werk de dans met de technologie. Zo maakte David eerder al een voorstelling waarin hij de interactie opzoekt tussen drones en dansers. Op dit moment werkt hij aan de voorstelling HandsON, een virtual reality-voorstelling die begin oktober op het Festival Nederlandse Dansdagen Digitaal in première gaat. Waar haalt David zijn inspiratie vandaan, en wat komt er allemaal kijken bij het maken van deze unieke en bijzondere voorstellingen?

Hoe is jouw passie voor dans ontstaan?
“Net als veel mensen sprong ik als kind al rond op muziek. Ik denk sowieso dat dat een interne drive is bij mensen; ze communiceren vaak al eerder via beweging dan door spraak. Het is een soort oerdrift.

In eerste instantie raakte ik dat een beetje kwijt, al volleybalde ik fanatiek en zag ik dat ook wel als een soort dans. Op een gegeven moment kreeg ik een blessure. Iemand zei toen tegen mij: ‘moet je niet eens een balletles doen om je houding te verbeteren?’ Ik vond dat altijd al wel leuk; er zit een soort rebelsheid in om op ballet te gaan. Daar ontdekte ik ook dat de combinatie van bewegen met muziek heel fijn is.”

Je kwam op een gegeven moment bij het Koninklijk Conservatorium terecht, maar daar ben je niet lang gebleven.
“Dat liep inderdaad wat stroef. Ik heb daar anderhalf jaar gezeten, maar zowel ikzelf als het Conservatorium merkte dat ik niet op mijn plek was daar. Voor ballet heb je een hele specifieke mindset en lichaamsbouw nodig, en ik paste daar niet echt in. Ballet ligt vaster en het probeert om het te doen lijken alsof je zweeft. Ik kwam zelf meer uit de sporthoek, waarin ik gewend was te rollen en duiken. Toen ben ik naar Codarts gegaan voor moderne dans.”

Wanneer is de interesse ontstaan om ook te willen choreograferen?
“Ik zag eigenlijk altijd wel bewegingen in mijn hoofd als ik muziek hoorde, maar ik deed daar weinig mee. Aan het begin van mijn carrière heb ik bij een paar groepen gedanst, waaronder in Saarbrücken (Ballett des Saarländischen Staatstheaters, red.), Introdans en het Ballettheater München. Aan het einde van het seizoen kreeg je meestal de kans om voor collega’s iets te maken. De ideeën die ik in de loop van de tijd had opgeschreven, heb ik daar in de praktijk gebracht. Ik maakte toen het stuk Bread-peace, met daarin ook een op afstand bestuurbaar brood.”

Je was dus meteen al in je eerste voorstelling bezig met de combinatie tussen dans en technologie?
“Mijn vader was ingenieur. Die fascinatie daarvoor heb ik altijd gehad. Mensen denken vaak dat techniek iets kouds is, terwijl ik technologie juist zie als symbool voor dromen en verlangens. Een vliegtuig is ooit ontworpen doordat mensen het verlangen hadden om te kunnen vliegen. In technologie zit dus juist een menselijke kant.

Bij Bread-peace was de techniek echt een handige tool om het verhaal te vertellen dat ik in mijn hoofd had. Dat is het eigenlijk nog steeds, maar daarnaast vormt die relatie tussen mens en techniek tegenwoordig ook steeds vaker het onderwerp van de voorstelling zelf.”

Waar begint de inspiratie voor een nieuwe voorstelling bij jou?
“Ik ben steeds meer op zoek naar de relatie tussen mens en technologie. Wat doet technologie met mensen? Hoe verhouden ze zich tot elkaar? Vaak komt het voort vanuit een maatschappelijk issue.

Ik ben op dit moment bijvoorbeeld al tien jaar bezig met Airman. De overkoepelende en dieperliggende gedachte van deze voorstelling is: wat is vrije wil voor mensen en wat zou het voor machines betekenen? Wanneer is iets vrije wil? En hebben mensen dit eigenlijk wel?

productiefoto HandsON

Ik ben daarvoor eerst gaan zoeken naar een object dat mensen ook konden gaan zien als iets eigens, met een ziel en vrije wil. Drones leken mij hiervoor mooie en dynamische objecten, en ze zijn technologisch ook echt een icoon van deze tijd. We zijn toen stap voor stap gaan ontwikkelen, want zo’n proces vergt veel tussenstappen. We begonnen met een choreografie voor één drone, die met de hand werd bestuurd vanuit de coulisse. In 2015 hebben we vervolgens een systeem gemaakt met drones die altijd hetzelfde pad vlogen, om te kunnen testen of de computer de drones zelf kon aansturen.

De eerste echte stap naar ‘vrijheid’ hebben we toegepast in de voorstelling Flirt With Reality, waarin twaalf drones zijn gebruikt die gezamenlijk een mens vertegenwoordigen. In deze voorstelling was een gedeelte van wat de drones moesten doen vastgelegd, maar niet alles. In een deel was de danser vrij om te improviseren, waarbij de drones hem volgden.

De volgende stap wordt nu om drones zelf te laten reageren. We zijn daarvoor nu samen met een TU student uit Delft bezig om veel opnames te maken van improviserende dansers. Vervolgens kunnen we aan de AI (artificial intelligence, red.) leren hoe ze de drones moet besturen, zodat deze op een juiste manier reageren op wat de danser doet. Uiteindelijk wil ik naar een vorm toe waarbij de drones en dansers als het ware een improviserend duet met elkaar dansen.”

Het lijkt me dat zo’n proces van de dansers ook iets anders vraagt dan bij een ‘normale’ dansvoorstelling.
“Ja, dat klopt wel. Ik probeer de dansers en de techniek altijd zoveel mogelijk gelijk op te laten gaan, maar de techniek duurt vaak veel langer. Aan de hand van hoe ver de techniek is ontwikkeld, ontwikkel ik vaak kleine eilandjes voor de dans.

Ik ben voor mijn projecten ook altijd op zoek naar dansers die een paar specifieke eigenschappen hebben. Het proces duurt natuurlijk lang. Ze moeten wel het geduld kunnen opbrengen dat iets niet gelijk werkt. Het gebeurt wel eens dat drones neerstorten, of dat ze iemand een paar schrammen bezorgen. Dat hoort erbij. In het maakproces vraag ik ook veel inbreng van de dansers. Dat moeten ze wel leuk vinden. Er zijn genoeg dansers die het fijner vinden om gewoon van een choreograaf te horen welke passen ze moeten maken. Bovendien is het extra belangrijk dat de dansers zich heel bewust zijn van waar ze zich in de ruimte bevinden. Ze moeten zich kunnen verplaatsen in hoe de machine kan reageren.”

Op dit moment ben je bezig met de voorstelling HandsON, die je maakt in coproductie met de Nederlandse Dansdagen. Waar is het idee voor deze voorstelling ontstaan?
“Het heeft eigenlijk een paar ingangen. Ik heb altijd al een fascinatie gehad voor hoe handen een soort onderbewustzijn weergeven. Als mensen praten of zenuwachtig zijn, lijken mensen hun handen op een soort niet aangeleerde manier te gebruiken. Dat zijn soms veelzeggende bewegingen. Sowieso zijn handen mooie 3D-objecten, die bijna dansers op zichzelf zijn. Voor deze voorstelling heb ik gekeken naar belangrijke politieke figuren en hoe zij hun handen gebruiken.

Daarnaast vond ik het al een tijd lang een spannend idee om een VR-voorstelling (virtual reality, red.) te maken. Een theater heeft toch beperkingen; het blijft een soort doos voor het publiek. In virtual reality kan je beginnen met een compleet leeg universum, dat je helemaal zelf kan inrichten.

Dit idee lag al op de planken, maar toen onze geplande tournee in oktober door Corona onzeker werd, leek dit een geschikt moment om het verder te ontwikkelen. Dit kan in verschillende situaties sowieso doorgaan, waardoor het financieel haalbaar wordt. Het kan in een kleine setting, of zelfs alleen als app. Ik hoop ook dat andere gezelschappen ermee aan de slag kunnen gaan. Veel groepen kunnen dat nu nog niet, maar de technologie en kennis is er nu om bijvoorbeeld oude producties in VR om te zetten.”

Welke beleving krijgt het publiek bij HandsON?

productiefoto HandsON

“Virtual reality is een breed begrip. Wij hebben daarvan twee toepassingen gebruikt. Je hebt natuurlijk VR als 360-graden opname, waarbij de gebruiker om zich heen kan kijken, bijvoorbeeld vanuit huis. Dit is alleen niet interactief. Wij willen een voorstelling maken die veel meer de deelnemer ín de plek zet, ook met een kleine mate van interactie. Dat lukt niet met een 360-graden camera, dus deze gebruiken we alleen tijdens de Dansdagen voor het publiek thuis, zodat ze alsnog wel het gevoel krijgen dat ze echt in de voorstelling zitten.

Voor het publiek in de zaal willen we die interactie dus meer opzoeken. Zij krijgen een goede VR-bril op, en krijgen daarbij ook controllers in hun hand, die ze kunnen gebruiken als zaklamp. Alles waar de gebruiker heen schijnt, wordt zichtbaar. Ze zien ook waar de andere gebruikers op schijnen, waardoor je ze bewust maakt van elkaar. Dat is ook wel een onderdeel van dit onderzoek: wat maakt theater bijzonder? Is dat de sociale ervaring? En hoe is dat in technologie toe te passen?

Daarnaast hebben we bijvoorbeeld ook enkele diertjes erin verwerkt. Deze zijn uit handen gemaakt en reageren op wat iemand doet. Maar het blijft ook wel echt een voorstelling waarin de dans centraal staat; het is geen attractie. De interactie zorgt er vooral voor dat men als publiek meer in de wereld van de dansers terecht komt.”

Je bent met je voorstellingen vaak vernieuwend bezig. Hoe zou je jouw werk positioneren binnen de internationale danswereld?
“Ik vind dat moeilijk om te zeggen. Ik werk vooral vanuit iets wat mij fascineert; niet vanuit een drive om de eerste te zijn met iets. Daar ben ik minder mee bezig. Maar ik merk wel dat er internationale interesse is. We worden bijvoorbeeld wel gevraagd om met bestaande voorstellingen op te treden op festivals en evenementen wereldwijd. En we krijgen ook wel veel vragen van andere gezelschappen over hoe ze bepaalde technieken zouden kunnen inzetten.

We krijgen ook wel eens verzoeken van bedrijven of we iets nieuws kunnen maken. Zij schrikken dan vaak van dat enorme voortraject en van de kosten. Aan de voorstellingen die we maken, zit natuurlijk een heel onderzoek vast. Meerdere universiteiten werken bijvoorbeeld mee aan een deel van de ontwikkeling. Dat maakt mijn werk ook wel uniek. Het levert niet alleen op cultureel gebied nieuwe kennis op, maar ook op technologisch vlak. Die waarde moeten ze ook wel inzien; ze moeten niet alleen maar kijken naar het financiële aspect. We hebben bijvoorbeeld voor een wiskundebedrijf een deel van hun software geschreven. Zij gebruiken ons filmpje nu voor de werving van nieuwe studenten, en passen de kennis toe in andere apparaten.”

Hoe ziet de toekomst van moderne dans eruit, nu technologie zich steeds sneller ontwikkelt?
“Technologie zit natuurlijk overal in. In het klassiek ballet zijn de spitzen ook een vorm van technologie, met als doel om iemand gewichtsloos te laten lijken. Theaters zijn op een bepaalde manier gebouwd, bezoekers worden op een bepaalde plek geplaatst in de zaal, er zijn betalingssystemen voor tickets; overal zit een technologie achter.

Binnen de dans heb ik wel het idee dat de verweving van mens en technologie sterker wordt. Alleen merk ik dat er altijd behoefte zal zijn aan een stukje menselijkheid. Ik probeer daarom in mijn voorstellingen de dansers ook echt in te zetten als ‘de mensen’ en de technologie als ‘de technologie’. Juist met veel apparaten zal die behoefte aan menselijkheid wel blijven. Dus ja, het zal meer met elkaar gaan verweven, maar het menselijke blijft zeker nodig.”

Trailer 'Flirt With Reality'

Zie voor meer informatie de website van Another Kind of Blue.

Dit interview komt voort uit het thema rondom Dans. Kijk voor het actuele thema op de Nu Centraal-pagina.

Nieuwsgierig naar alle andere interviews op de Theaterencyclopedie? Kijk snel op de overzichtspagina!