De TheaterEncyclopedie is vernieuwd!

Tips voor het opnemen van geluid

Uit TheaterEncyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

7 tips voor het opnemen van geluid:

1. Cameramicrofoon is niet voldoende.

Op iedere camera zit een microfoon. Die zijn echter niet richtingsgevoelig: ze pikken alle geluiden uit de omgeving op. Gebruik het camerageluid alleen om te controleren of beeld en geluid tijdens de montage lipsynchroon lopen. Kies daarnaast altijd een of meerdere externe microfoons voor het opnemen van het geluid. Om in aanmerking te komen voor de TIN CollectieSelectie (TCS) is een minimumgebruik van twee tot drie microfoons vereist.

2. Registreren van het geluid.

Maak voor het registreren van het geluid gebruik van de zaalfaciliteiten, zoals het mengpaneel van de geluidstechnicus. Hang voor het opnemen van het gemixte zaalgeluid de recorderaansluiting van het mengpaneel als lijnsignaal aan de totaalcamera. Gebruik ook de cameramicrofoons op de camera’s. Dit is een handig controlemiddel om tijdens de montage het geluid lipsynchroon te krijgen met het beeld.

3. Richtingskarakteristiek van de microfoon.

In principe is een ‘kale’ microfoon rondom gevoelig. Dat wil zeggen dat er geen voorkeur is voor het geluid uit een bepaalde richting. Ook omgevingsruis en stemmen worden dus opgepikt. Om dit probleem op te lossen, zijn kapsels bedacht. Deze maken de microfoon selectief voor het geluid uit een bepaalde richting ( = richtingskarakterisiek):

Omni (rondom geluid)

Cardioïde (nier, alleen geluid voor)

Hypercarioïde (supernier, smal geluid voor)

Bi-directioneel (voor- en achterkant, richtingskarakteristiek in de vorm van een 8)

Shotgun / richtmicrofoon (supernier, extreem smal geluid voor)

PZM (= grensvlakmicrofoon, 180 graden)

Het soort geluid dat opgenomen wordt, het volume daarvan en de omgeving zijn van invloed op de microfoonkeuze. Je kunt ook kiezen voor een microfoonset met verschillende kapsels (rondom, nier, supernier), zoals de Senheisser K6 module.

4. Zendermicrofoon bij zaalruis.

Is er veel zaalgeluid (bijvoorbeeld door kinderen, gelach, lopen of snoepzakjes), maak dan gebruik van een zendermicrofoon. Houd altijd een zender achter de hand. Blijkt er tijdens de voorstelling toch omgevingslawaai te zijn, dan kun je de zender snel aansluiten.

5. De akoestiek van de zaal.

Wanneer de voorstelling wordt opgevoerd in een zaal met een slechte akoestiek, dan kan het geluid reflecteren. Een oplossing is om de microfoon dichter bij het podium en /of de spelers te plaatsen. Dit gaat wel ten koste van het achtergrondgeluid. Wil je het publiek in je eindmontage laten horen, plaats dan een aparte microfoon in de zaal.

6. Het plaatsen van de microfoon: 1:3-regel.

Houd bij het plaatsen van de microfoon de 1:3-regel aan. Zet hiervoor de eerste microfoon op een meter afstand van een acteur, de volgende (minstens) drie meter verderop. Op deze manier voorkom je overspraak. Hiermee wordt het 'doorsijpelen' van een bepaald geluid van de ene naar de andere microfoon bedoeld. Dit veroorzaakt een soort badkuip-echo op de geluidsopname (fase-verschuiving).

7. Het aansluiten van de microfoons.

Plaats voor een optimaal geluid de microfoons iets boven de hoofden van het publiek. Zet losse microfoons altijd op een statief en nooit te dicht bij een luidspreker. Zo voorkom je dat er op de opname fluitende geluiden te horen zijn. Maak voor de microfoons in de zaal en op het podium gebruik van 48v fantoomvoeding. Zorg dat je altijd een of meerdere reserve-setjes bij je hebt.


Terug naar TIN CollectieSelectie