Koninklijke Vereeniging Het Nederlandsch Tooneel (K.V.H.N.T.)

Uit TheaterEncyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

De Koninklijke Vereeniging Het Nederlandsch Tooneel met o.a. Louis Bouwmeester (zittend op eerste rij met hoed) en Theo Mann-Bouwmeester (zittend op eerste rij, midden). Jaartal en fotograaf onbekend. Collectie TIN.

Informatie

Als Koning Willem III in 1881 besluit de Vereeniging 'Het Nederlandsch Tooneel' het predikaat Koninklijk te verlenen betekent dit meer dan alleen een kroontje op de naam. De Koninklijke Vereeniging krijgt niet alleen meer geld maar krijgt ook de waardering van het Koninklijk Huis voor haar werk. Het is tekenend dat het Huis van Oranje zich voor het eerst sinds het begin van de negentiende eeuw weer inlaat met het Nederlandse toneel. Voor de leider van het gezelschap, de bankier H.J. Schimmel (1823-1906) was dit gebaar een grote stimulans om op de ingeslagen weg verder te gaan.

H.J. Schimmel

Schimmel was een gezaghebbend figuur in de toneelwereld. Hij was medeoprichter en de eerste voorzitter van het Nederlandsch Tooneelverbond en ook als toneelschrijver had hij naam gemaakt. Hij zat dus dicht bij het vuur van de toneelpraktijk en ijverde op de diverse fronten voor de verheffing van het Nederlandse toneel. Hij begreep dat de middelen die het Tooneelverbond kon aanwenden niet voldoende waren om echt verandering in de situatie te brengen. Volgens hem lag er hier een taak voor mannen van buiten de toneelpraktijk, mannen met goede maatschappelijke posities en met liefde voor de toneelkunst. Zij zouden het toneelbestuur, en vooral dat van de Amsterdamse Stadsschouwburg, in handen moeten krijgen. Ongevoelig voor de gebruikelijke intriges in de toneelwereld zouden zij een goede leiding aan de gezelschappen kunnen geven, niet gedreven door geldelijk gewin maar door idealisme voor de kunst.

Het recht van spreken ontleende Schimmel onder meer aan het feit dat zijn toneelstukken regelmatig en met succes werden opgevoerd. Maria Johanna Kleine-Gartman, Nederlands beste actrice van dat moment, behaalde een van haar grootste succes¬sen in de titelrol van Schimmels stuk Juffrouw Serklaas (1857). Zij koos dit stuk dan ook voor haar 50-jarig jubileum en afscheid in 1885.

Schimmel schreef eerst een aantal historische drama's zoals Joan Wouters (1847) en Twee Tudors (1849), en later ook zogenaamde burgerlijke toneelspelen: Juffrouw Bos (1878). Zijn historisch spel Struensee (1868) wordt wel gezien als zijn belangrijkste werk, terwijl Het Kind van Staat (1859) het enige stuk is dat tot vele jaren na zijn dood repertoire heeft gehouden. Schimmels verdienste voor de toneelschrijfkunst ligt vooral in het feit dat hij de romantiek in de historische stukken op het toneel bracht. Scribe, Hugo en Schiller waren zijn grote voorbeelden.

Oprichting Vereeniging Het Nederlandsch Tooneel in 1867

Zijn succes als toneelschrijver en zijn inzet voor het toneel leidden ertoe dat velen vertrouwen hadden in zijn ideeën. Toen Schimmel de tijd rijp vond om tot actie over te gaan vond hij dan ook snel de benodigde morele en financiële steun. De latere burgemeester van Amsterdam, Mr. G. van Tienhoven en de bankier en mecenas A.C. Wertheim, stelden hem in staat zijn ideeën in de praktijk te brengen en in februari 1876 resulteerde dit in de oprichting van de Vereeniging 'Het Nederlandsch Tooneel'. De Vereeniging had een ideële doelstelling; "De Nederlandsche tooneelspeelkunst voor te staan en te ontwikkelen, door het exploiteeren van schouwburgen te Amsterdam en 's-Gravenhage, en het bespelen van tooneelen in zoodanige andere plaatsen, als waartoe de Raad van Beheer zal besluiten." Zo trachtte zij door middel van haar optreden het Nederlandse toneel uit het dal te halen waarin het zich op dat moment bevond. Dit moest dan gebeuren onder leiding van de Raad van Beheer, waarin mannen uit de gegoede stand zitting hadden, zoals Schimmel dat gewenst had. Schimmel zelf was voorziter van de Raad en in de praktijk kwam het er op neer dat hij bepaalde wat er gebeurde.

Op 5 september 1876 werd de eerste voorstelling gegeven: de Vereeniging opende met Sofonisbe van Emanuel Geibel en Hyronimus Jamaar van Helvetius van den Berg. Deze première in Den Haag werd de volgende dag herhaald in Amsterdam. Schimmel was er in geslaagd een groot deel van de beste Nederlandse toneelspelers aan het gezelschap te verbinden, onder meer mevrouw Kleine-Gartman, mevr. Albregt-Engelman, Christine Stoetz, Louis Moor, Louis Veltman, Daan van Ollefen en C.C. van Schoonhoven. Mede door deze bundeling van goede krachten en een meer verantwoorde repertoirekeuze behaalde het gezelschap met name in Den Haag veel succes. In de residentie, waar men het lange tijd zonder een Nederlands gezelschap van enige kwaliteit had moeten doen, hervond zelfs de Koninklijke familie de weg naar de schouwburg.

In Amsterdam had een felle strijd had gewoed om de pacht van de schouwburg. De door de Vereeniging gebruikte argumenten in deze schouwburgstrijd hadden tot resultaat dat ze dan wel de schouwburg voor een periode van drie jaar toegewezen hadden gekregen, maar dat er ook hooggespannen verwachtingen waren. Men verwachtte een Nederlandse 'Comédie Française' die wel even een einde zou maken aan de slechte toestand waarin het Nederlandse toneel verkeerde.

Het bleek onmogelijk om aan de hooggespannen verwachtingen te voldoen. Succes bleef uit daar waar zoals de theaterhistoricus Hunningher het omschreef "het publiek een revolutie verwachtte terwijl een evolutie het meest haalbare was". De kritiek op het gezelschap leidde tot onderlinge verdeeldheid. Het gevolg was dat aan het einde van de pachtperiode (1879) een deel van het gezelschap zich afscheidde en erin slaagde de schouwburg voor de volgende drie jaar te pachten. Noodgedwongen moest de Vereeniging zich met een kleine groep terugtrekken in het schouwburgje van de Gebroeders van Lier, het Grand Théâtre in de Amstelstraat.

Achteraf bleek deze ballingschap een zegen voor de Vereeniging. Louis Bouwmeester kwam bij het gezelschap en ontwikkelde zich tot groot acteur, de eerste leerlingen van de toneelschool werden geëngageerd en bleken talentvolle spelers te zijn, het peil der vertoningen steeg en het repertoire breidde zich uit.

De Koninklijke Vereeniging Het Nederlandsch Tooneel - na 1881

De artistieke groei bleef niet onopgemerkt en in 1882 vroeg de gemeenteraad de inmiddels Koninklijke Vereeniging de Stadsschouwburg weer te bespelen. Zowel in Amsterdam als in Den Haag trok men toen volle zalen. Het succes was zo groot dat men overging tot het oprichten van een Rotterdamse 'afdeling', die van 1881 tot 1885 zou bestaan.

De eerste barstjes zouden echter al snel zichtbaar worden. Schimmel bepaalde in zijn eentje het repertoire en hield vast aan de tactiek van 'geleidelijke verandering'. Zo weigerde hij lange tijd stukken van Shakespeare te laten spelen omdat volgens hem het publiek er nog niet aan toe was en het bovendien ontbrak aan goede acteurs hiervoor. Er werd echter steeds meer druk op hem uitgeoefend. Met name de secretaris van de Raad van Beheer van het gezelschap, J.H. Rössing, wilde Schimmel overhalen Shakespeare en moderne auteurs op het repertoire te zetten. Mede door de komst van Bouwmeester, die de grote rollen van Shakespeare wel aan leek te kunnen, liet Schimmel zich ompraten. Er volgden succesvolle opvoeringen van Romeo en Julia met Bouwmeester als Romeo en van De Koopman van Venetië in 1880. Bouwmeester speelde hierin de rol van Shylock, een rol die de succesrol van zijn leven zou worden. Het succes was mede te danken aan de nieuwe en goede vertaling van L.A.J. Burgersdijk. Rössing oefende nog meer druk uit om ook auteurs als Ibsen te spelen. De spanning tussen hem en de behoudende Schimmel werd te groot en Rössing verliet het gezelschap.

Schimmel, bijna zeventig jaar, had grote moeite de nieuwe ontwikkelingen op theatergebied te accepteren. Zijn conservatieve koers leidde tot grote spanningen in het gezelschap. Slechts af en toe vond een modern stuk in zijn ogen genade. Zo werd Ibsens Wilde Eend in 1889/90 opgevoerd. Toen in 1890 de Stadsschouwburg afbrandde en de Koninklijke Vereeniging noodgedwongen weer haar intrek moest nemen in het Grand Théâtre was duidelijk dat Schimmels positie niet meer te handhaven was. Schimmel besloot tot de opening van de nieuw te bouwen schouwburg aan te blijven. Met de verhuizing naar de nieuwe schouwburg liet de Vereeniging ook het tijdperk Schimmel achter zich. Dit keer overwon de vernieuwing de traditie. Schimmel, nooit gespaard door de kritiek, vertrok verbitterd en teleurgesteld. Teruggetrokken levend verdiepte hij zich de laatste jaren voor zijn dood in het spiritisme.

De koers van de Koninklijke Vereeniging werd vanaf 1894 bepaald door de jurist W.G.F.A. van Sorgen. Deze zorgde voor een vernieuwing van het repertoire. Voor het eerst sinds een eeuw kwamen de stukken van Sophocles weer op het toneel: Oedipus en Antigone. Shakespeare was volkomen geaccepteerd. Zijn blijspelen kwamen nu op het toneel: De getemde Feeks en Veel leven om niets. Het waren ook de jaren dat er een standaardrepertoire werd opgebouwd waar de Vereeniging nog jaren op zou teren. Het waren de stukken van Sardou en Dumas (Madame Sans Gêne, Margaretha Gauthier, De Demi-Monde), Shakespeare (De Koopman van Venetië) en Oud Heidelberg van W. Meyer, waarin de sterren van het gezelschap naar hartelust konden schitteren.

Belangrijk voor de ontwikkeling van het gezelschap was dat Van Sorgen de acteur en één van Nederlands eerste regisseurs L.H. Chrispijn sr. engageerde. Chrispijn was afkomstig van het gezelschap 'De Nederlandsche Tooneelvereeniging', alwaar hij naam had gemaakt met het regisse¬ren van stukken van Ibsen, Hauptmann, Björnson, Heijermans en Strindberg. Chrispijn breidde het repertoire van de Koninklijke Vereeniging uit met deze moderne klassiekers. Vernieuwend was ook zijn invloed op de regie. Tot die tijd was W.P. (`Pa') de Leur belast met de regie. Hij was een representant van de negentiende-eeuwse regie-opvatting. Sterk beïnvloed door het spel van de Meiningers hield hij zich met name bezig met de uiterlijke verzorging van het geheel en liet de interpretatie van de rol over aan de acteurs zelf. Chrispijn zag meer in een totaalregie, waarbij hij bij de uitvoering streefde naar een vol¬maakte illusie, waarbij soberheid in de uitvoering een belangrijk uitgangspunt was. De soevereiniteit van de acteur werd steeds meer ondergeschikt aan het totaalconcept. De eerste stap op de weg naar het regisseurstoneel was gezet. Zijn ideeën schreef hij neer in het boek De Regisseur, handleiding voor beoefenaars der tooneelregie (Amsterdam, z.j. [1901]).

De vernieuwingen leidden niet direct tot een volledige ommezwaai. Zo bleef de oude vertrouwde 'romantische' stijl. Ook het Franse en Duitse blijspelwerk, waar het publiek gek op was, bleef zijn plek innemen naast het modernere repertoire. Maar de invloed van de nieuwe regieopvattingen en de opkomst van een ander repertoire was niet tegen te houden. Dit beviel de oudere acteurs niet. Vooral Bouwmeester verzette zich. Onenigheid over zijn salaris was in 1902 voor hem de druppel. Hij verliet de Koninklijke Vereeniging.

Het gezelschap bleef in die jaren een belangrijke rol in het theaterleven van Nederland spelen. Niet in de laatste plaats door het feit dat er redelijk voorzieningen werden getroffen voor de werknemers. Zo werd op 28 december 1906 een 'Ondersteuningskas' opgericht: "Het doel dezer ondersteuningskas is aan artisten en beambten, door jaarlijksch contract in dienst bij de Koninklijke Vereeniging 'Het Nederlandsch Tooneel', die tevens leden van het bij deze acte, opgerichte fonds zijn en aan de daarvoor verder gestelde vereischten voldoen, bij ouderdom, invaliditeit of geestesverzwakking, waardoor zij buiten staat geraken hun kunstvak of beroep uit te oefenen, jaarlijks eene vaste uitkeering te verzekeren."

Ook in het buitenland werd het werk van het gezelschap gewaardeerd, wat resulteerde in een aantal buitenlandse tournee's. De belangrijkste spelers in die jaren waren onder meer:Theo Mann-Bouwmeester (de opvolgster van de in 1885 overleden Maria Kleine-Gartman), C.C. van Schoonhoven, Betty Holtrop-van Gelder, Jan C. de Vos sr. en Louis de Vries.

Verandering kwam er wel met het optreden van Herman Roelvink en Eduard Verkade. Roelvink, opgeleid als ingenieur en werkzaam op een bank, werd één van de voormannen van de toneelvernieuwing in die jaren. Hij had al enige naam gemaakt als toneelschrijver en was al jaren bevriend met Eduard Verkade. In 1913 werd Roelvink aangesteld als secretaris bij de Koninklijke Vereeniging. Al snel vormde hij een 'regie-raad' met Jan C. de Vos, Herman Schwab en later Adriaan van der Horst. Mede door zijn invloed werden jonge veelbelovende spelers als Louis Gimberg en Albert van Dalsum geëngageerd. En 'last but not least': door zijn toedoen keerde Louis Bouwmeester in 1914 terug naar de Koninklijke Vereeniging.

Met het toetreden van Eduard Verkade in de Raad van Beheer (1914) kwam de vernieuwing in een stroomversnelling. Het beleid vertaalde zich na de daling in de eerste oorlogsjaren vanaf 1917 in een grote stijging van de bezoekcijfers. In diezelfde tijd kreeg Verkade de artistieke leiding van de Koninklijke Vereeniging alleen in handen. Roelvink beperkte zich tot het zakelijk beheer. Hiermee lag voor de eerste keer de artistieke leiding in handen van een man uit de theaterpraktijk, een acteur/regisseur. De overgang van het oude acteurstoneel naar het regietoneel van Verkade bleek voor een aantal spelers te groot. De strijd tussen vernieuwing en traditie dreigde voor de zoveelste keer het gezelschap te verscheuren. Een conflict tussen de oude garde enerzijds en Verkade met de met hem meegekomen acteurs anderzijds bleek onafwendbaar: de 'Bouwmeesters' tegen de 'Verkadianen'.

In 1920 zou de bom barsten. De conflicten, over keuze van repertoire, keuze van hoofdrol-spelers en opvatting van spelstijl hadden het vertrek van Bouwmeester en een aantal van zijn volgelingen tot gevolg. Kort daarna nam de toneelstaking van 1920 Verkade's laatste restje energie om nog iets van het gezelschap te maken. Woedend en teleurgesteld verlaat hij de Koninklijke Vereeniging.

Hij heeft in die jaren wel zijn stempel op het gezelschap gezet. Het repertoire laat een aantal bijzondere opvoeringen zien: Schnitzler's Roepstem van het Leven, De brief van de Koning van Tagore en Claudel's Gijzelaar. Verkade's streven naar een geestelijk georiënteerde toneelspeelkunst was uit zijn stukkeuze af te lezen. Belangrijkste spelers naast de vaste 'crew' zoals de Bouwmeesters waren in die jaren Enny Vrede, Coen Hissink, Marie Holtrop, Fie Carelsen en Albert van Dalsum.

Een andere bekende naam uit de toneelpraktijk neemt dan de fakkel van Verkade over: in 1920 probeert Willem Royaards de Koninklijke weer nieuw leven in te blazen. Zijn eigen gezelschap, de N.V. 'Het Tooneel', fuseert met de Koninklijke Vereeniging en het nieuwe gezelschap beleeft een veelbelovende start. Het eerste seizoen gaf onder meer stukken als Adam in Ballingschap, Driekoningenavond, Midzomernachtsdroom, Electra, Prof. Bernardi, Faust en een vernieuwde Gijsbreght te zien. Al snel bleek dit niet vol te houden. Kasstukken waren nodig om de kosten van de 'grote daden' te dekken. Stukken als Trilby, Madame Sans-Gêne en Een schoon avontuur moesten het geld opleveren om de kosten voor de moderne stukken te dekken. Het publiek bleek de vernieuwende kunst van Royaards niet te waarderen. Ook de gemeente, die inmiddels het bestuur van de schouwburg aan een door hen aangestelde directeur had overgedragen, leek meer tegen dan mee te werken. Het seizoen 1923/24 werd dan ook Royaards' laatste seizoen als leider van de Koninklijke in de Schouw-burg.

Met de Vereeniging verdween hij naar de Hollandsche Schouwburg, waar hij het nog een jaartje volhield. Tot de vaste kern behoorden in die jaren onder meer Magda Janssens, Jacqueline Royaards, Louis Saalborn, Louis van Gasteren, Julia Cuypers en Enny de Leeuwe. In 1925 hield Royaards het voor gezien en ging de trotse Koninklijke van weleer 'in ruste'.

Nog één keer zou de Koninklijke Vereeniging ontwaken. Saalborn, die met de meeste acteurs van het gezelschap na 1925 als het Nieuw Nederlandsch Tooneel had doorgespeeld, probeerde met Dirk Verbeek in 1929 het gezelschap tot leven te wekken. Men slaagde erin de Stadsschouwburg te pachten. Gestreefd werd naar een concentratie van de beste krachten, dezelfde doelstelling als waar¬mee in 1876 werd begonnen. Na een fusie met twee andere gezelschappen ontstond inderdaad een groot veelbelovend gezelschap met vele goede acteurs. Van Dalsum en Saalborn waren de belangrijkste spelers.

Door de economische crisis nam in het begin van de jaren dertig het schouwburgbezoek echter onrustbarend af. Dit leidde tot grote financiële problemen die uiteindelijk een faillissement tot gevolg hadden. Op een zomerdag in augustus 1932 werd met de veiling van de bezittingen van het gezelschap een belangrijk stuk Nederlandse theatergeschiedenis afgesloten.

Voorstellingen

Een alfabetisch overzicht van de voorstellingen die onder de naam van dit toneelgezelschap als producent in première zijn gebracht en voor zover geregistreerd in de Productiedatabase

Bronnen

  • David Gribnau, Inventaris van het archief van de Vereeniging Het Nederlandsch Tooneel, vanaf 1881 de titel 'Koninklijke' voerende, 1876-1932, Theater Instituut Nederland, 1995.
  • Productiedatabase


Schrijf mee!

Wilt u deze pagina bewerken, corrigeren of aanvullen?

Iedereen kan eenvoudig meeschrijven aan de theatergeschiedenis op de Theaterencyclopedie. Hiervoor moet u ingelogd zijn op uw eigen account. Door eenmalig te registreren maakt u een eigen account aan. Helpt u mee de Theaterencyclopedie compleet te maken?

Fondsen en Partners