Op dit moment is de site in onderhoud. Bepaalde pagina's zien er misschien niet uit zoals je gewend bent. Hier wordt aan gewerkt. Excuses voor het ongemak.

Stadsschouwburg, Amsterdam (1894)

Uit TheaterEncyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken


Stadsschouwburg Amsterdam, 2008. Foto: Andreas Praefcke.

NaamStadsschouwburg, Amsterdam (1894)
Eerdere naamStadsschouwburg Amsterdam (1774-1890), Internationaal Theater Amsterdam, Amsterdam
PlaatsAmsterdam
TypeTheatergebouw
ThemaToneel
MonumentstatusRijksmonument
Monumentnummer46503
ArchitectJacobus Bernardus Springer, A.L. van Gendt, Jan Springer
Bouwjaar1892-1894
Openingsdatum1 september 1894
GeslotenNee
Lid vanVSCD
Wikidata ID (Q-nummer)Q1817103
 Website

PermalinkPermanente link naar deze pagina. Gebruik ctrl-click om de link te kopiëren.<br> Het complete adres is: <br> <code>theaterencyclopedie.nl/id/01944072-d07e-7362-a506-97b177e7eabd</code> - xmlSemantische informatie in XML. - jsonSemantische informatie in JSON. - rdfGestructureerde informatie in RDF/XML-formaat


Bekijk de van Wikimedia / Wikipedia over Stadsschouwburg, Amsterdam (1894)


Info Waarde
Afbeelding Stadsschouwburg amsterdam.jpg
Postcode: 1017 PT Amsterdam
Openingsdatum: 1 jan 1894
Op de kaart: Ga naar kaart...
Wikimedia Commons: Galerie (Wikimedia Commons)
Gelegen in: Amsterdam (Q9899)


Bekijk deze en meer informatie op de website van Wikidata, of lees de pagina Stadsschouwburg Amsterdam op Wikipedia.

Inleiding en geschiedenis

De Stadsschouwburg, Amsterdam (1894)

De Stadsschouwburg bevindt zich op het Leidseplein in Amsterdam, en werd geopend in 1894. De Schouwburg heeft 2 zalen: de Grote Zaal en de RABOzaal.
Deze schouwburg kwam in de plaats van de vorige schouwburg op het Leidseplein, die in 1774 geopend werd en in 1890 door brand verwoest werd. Zie ook: Stadsschouwburg Amsterdam (1774-1890)

Bouwgeschiedenis

Architect: Jacobus Bernardus Springer, A.L. van Gendt, Jan Springer
Bouwjaar: 1892-1894

De Stadsschouwburg vlak na de opening, 1894. Fotograaf onbekend.
De Stadsschouwburg vlak na de opening, 1894. Fotograaf onbekend.

Bij de bouw van de Stadsschouwburg in 1892, werd uitgegaan van de hoogste, toen geldende eisen voor een theater waar zowel opera’s als toneelstukken (ook van reizende gezelschappen) opgevoerd konden worden. De toneeltechnische voorzieningen waren afgestemd op de eisen van het laat negentiende-eeuwse repertoire. Dat wil zeggen dat men uitging van het gebruik van verwisselbare coulissen, zinkluiken, friezen en achterdoeken, zoals gebruikelijk bij het baroktheater. Van deze coulissen werd het theater verwacht een gangbare collectie te bezitten, waaronder een bos, een grot, een paleistuin, een burgerkamer, een boerenkamer, een paleiszaal en een gevangenis. Er was in het ontwerp ook een zogenaamde ‘paardenbrug’ voorzien; een toegangsmogelijkheid voor paarden, kamelen, ezels, en ander kleinvee, vanaf de straat via een oplopende helling direct naar het toneel.
Voor de installatie van de verschillende hefpodia, zinkluiken en coulissenwagens was onder de toneelvloer een ruimte van ongeveer zeven meter diep nodig. Aangezien onder het Leidseplein, en gedeeltelijk ook onder de schouwburg, zich de waterloop van de Lijnbaansgracht bevindt, was een dergelijke diepte niet te realiseren. Besloten werd het toneel vijf meter boven straatniveau te bouwen. Dit had tevens het voordeel dat er ónder de zaal ruimte beschikbaar kwam voor een ruime entree, wachtruimten en enkele technische werkplaatsen.

Interieur. Aquarel door J.M.A. Rieke, 1894.
Interieur. Aquarel door J.M.A. Rieke, 1894.

Hoewel de Parijse Opera min of meer als voorbeeld diende voor de Amsterdamse schouwburg, wenste men geen monumentale entree met trappen, kolommen en balustrades op het Leidseplein. Waarschijnlijk verzette de Hollandse degelijkheid zich tegen dergelijke praal.

Voor de verwezenlijking van de theatertechnische eisen werd een beroep gedaan op Karl Lautenschläger (1843-1906), een in die tijd gerenommeerde deskundige op dit gebied, en technisch directeur van de Münchener Hoftheaters. Hij had in Europa en Amerika diverse theaters ingericht, en was een voorstander van het gebruik van elektriciteit in het theater. Voor Amsterdam kreeg hij de opdracht een geavanceerde toneeltechnische inrichting te ontwerpen met een onder-machinerie voor vijf keer drie rittenwagens links en rechts, zinkluiken, hefpodia en een mogelijkheid voor effecten met stoom. Vrijwel de hele installatie werd in Duitsland, onder toezicht van Lautenschläger, gemaakt en in onderdelen naar Amsterdam gebracht om ter plaatse gemonteerd te worden. De architecten hadden de opdracht (na het afbranden van de twee vorige Amsterdamse schouwburgen) de grootste aandacht te besteden aan de brandveiligheid. Alle steunbalken, dwarsliggers en vloeren (behalve het toneel) werden in ijzer en steen uitgevoerd.
Het toneel werd van de publieksruimte afgescheiden door een dubbeldikke muur, met behalve de toneelopening, links en rechts daarvan een nauwe doorgang met ijzeren deuren. De toneelopening kon afgesloten worden met een ijzeren scherm, waarachter een z.g. regenscherm. De (hellende) houten toneelvloer liep niet verder dan het brandscherm. De vloer vóór het brandscherm, het proscenium, was van asfalt. Verder had de schouwburg als eerste theater in Amsterdam, rookluiken en een sprinklerinstallatie boven het toneel.

Het gehele gebouw was voorzien van elektrisch licht, behalve de zaalkroon (ontworpen door Jan Springer), die op gas brandde. Dit had te maken met een ingenieus systeem voor verwarming en ventilatie van het gebouw. Via roosters in de gevel werd verse lucht via gemetselde kanalen naar een ruimte onder het toneel gevoerd en daar verwarmd. Vandaar liepen luchtkokers door het hele gebouw en kwam de verwarmde lucht (via roosters) in lokalen, gangen en uiteindelijk in de grote zaal terecht. Boven de zaalkroon, waarvan een deel van de ornamenten altijd brandde, was een koepel die in verbinding stond met de buitenlucht. Door de opstijgende, verwarmde lucht ontstond een gestage stroom ‘afgewerkte’ lucht, die via het dak verdween. Na de installatie van een centrale verwarming, kort na 1900, is dit systeem buiten gebruik geraakt.

Direct na de brand van de vorige schouwburg op 20 februari 1890, namen een aantal notabelen, onder aanvoering van de bankier en mecenas A.C. Wertheim, het initiatief om geld bij elkaar te krijgen voor een nieuwe schouwburg. Binnen enkele maanden had dit gezelschap een bedrag van 900.000 gulden bij elkaar, genoeg om een nieuw theater te laten bouwen. Zij stichten de Stadsschouwburg Maatschappij die onder voorzitterschap van Baron G.A. Tindal in 1892 de bouw kon aanbesteden. De gemeente Amsterdam stond borg voor de rente van twee procent.
In de jaren vóór de oplevering van de schouwburg waren er, vooral in de pers, nogal wat kritische opmerkingen over dit gebouw. Zo was er kritiek op het feit dat er zoveel buitenlandse (vooral Belgische) leveranciers en uitvoerders bij de bouw betrokken waren. De reden was duidelijk: voor een werk van deze allure waren in Nederland geen geschikte bedrijven te vinden, noch deskundige vaklieden die bedreven waren in de uitvoering van de ontworpen ornamenten. Een ander twistpunt was de stroomvoorziening. Aanvankelijk was het de bedoeling dat de schouwburg middels een eigen aggregaat in de stroomlevering zou voorzien in plaats van stroom af te nemen van het Gemeentelijk Energie Bedrijf. Enige tijd na de in gebruikneming schakelde men evenwel toch over op het toen snel groeiende gemeentenet. Tegen de tijd dat de schouwburg gereedkwam (september 1894), werden er nieuwe huisregels bekendgemaakt. Zo zouden er geen dranken of versnaperingen meer in de zaal verkocht worden. Het meebrengen van paraplu’s in de zaal was verboden, en in ‘de bak’ (wat nu stalles en parquet heet) waren geen dameshoeden toegestaan. Het na de voorstelling afroepen van de voorstaande rijtuigen zou in het vervolg niet meer in de zaal gebeuren, maar beneden in de rotonde.

Bespreekplan van de Stadsschouwburg Amsterdam. Ontwerper onbekend, z.j.
Bespreekplan van de Stadsschouwburg Amsterdam. Ontwerper onbekend, z.j.

Bij de feestelijke opening op 1 september 1894 droeg de voorzitter van de Stadsschouwburg Maatschappij het gebouw over aan de gemeente Amsterdam. Pas in 1920 zou de gemeente ook de exploitatie overnemen. Zij stichtte daarvoor een aparte dienst: de Gemeentelijke Dienst van de Stadsschouwburg. Een serieus probleem, dat zich tot vandaag de dag voordoet, was het gebrek aan repetitieruimte en opslagmogelijkheden voor decors en kostuums. Pas in 1941, toen zowel het gebouw als de vaste bespelers verenigd werden in het Gemeentelijk Theaterbedrijf, werd het pand Marnixstraat 425, de voormalige brandweerkazerne, en de daarachter gevestigde accufabriek bij de schouwburg getrokken. Hier werden een aantal kantoren en repetitieruimten gevestigd. Het terrein van de accufabriek werd gebruikt om een opslagruimte te realiseren waar de opera zijn omvangrijke decors kwijt kon. Het toneelgezelschap dat de schouwburg als vast theater had, bewaarde zijn decors op andere plaatsen in de stad. Ook de decorateliers van beide vaste groepen, en later ook van het ballet, waren elders ondergebracht.
Met de veranderende visie op het gebruik van de theaterruimte en de groeiende behoefte aan een zaal waarover men als vaste bespeler continu zou beschikken – in geen van beide kon worden voorzien – besloot in 1993 het huisgezelschap Toneelgroep Amsterdam de schouwburg te verlaten en op zoek te gaan naar een ander theater of althans een ruimte waar het zijn producties beter kon presenteren. Na enig zoeken verkreeg het gezelschap het (tijdelijk) gebruik van het Transformatorhuis op het terrein van de voormalige Westergasfabriek – de kantoren en de technische afdelingen bleven in de schouwburg gehuisvest. Gedurende enkele jaren bracht het gezelschap hier een aantal voorstellingen. Die inspireerden tot een plan om het schouwburgtoneel in de toekomst van twee zijden te bespelen: op de traditionele manier en tevens, na verwijdering van de achtermuur, als vlakke vloer, gericht op een nieuwe zaal met een oplopende tribune. Dit stuitte echter op enorme organisatorische problemen.

Uitbreiding Stadsschouwburg met de RABO zaal

Reeds lang bestond de behoefte bij de vaste bespelers van de Amsterdamse Stadsschouwburg aan een tweede zaal waar op meerdere manieren toneel kon worden gespeeld. En-ronde, met verplaatsbare tribunes, etc.

In 1969 was op verzoek van de Nederlandse Comedie door Wim Vesseur een plan ontworpen voor een tweede zaal op het terrein van de opgeheven melkfabriek, grenzend aan de Stadsschouwburg. Deze zaal, met de bijbehorende accommodatie, zou tegen de achtermuur van de schouwburg aangebouwd worden. Er was een doorgang gepland vanuit het achtertoneel, maar de toegang voor het publiek zou via een nieuw te creëren ingang aan de Marnixstraat gerealiseerd worden. Het geheel was voor een deel op het terrein van de voormalige melkfabriek gedacht, met een oversteek over de Lijnbaansgracht. Aan die kant bevonden zich ook de nooduitgangen. De gemeente Amsterdam gaf evenwel de voorkeur aan een andere bestemming van de panden van de voormalige OVV melkfabriek.
Na jaren dromen, plannen, vergunnen, breken en bouwen was het in 2009 zover: de nieuwe zaal van de Stadsschouwburg Amsterdam, Toneelgroep Amsterdam en Melkweg ging open en de verbouwing van de voorkant van de schouwburg was klaar. De nieuwe zaal, de Rabozaal, was bepaald geen kleintje: hij heeft een capaciteit van ruim 500 stoelen. De naastgelegen Nieuwe Foyer zweeft boven de Lijnbaansgracht, wat zorgt voor een spectaculair uitzicht over het water. “Amsterdam is weer een beetje meer grootsteeds geworden”, schreef de Volkskrant.
Met het nieuwe café en de vernieuwde programmering is het stof eruit en de schouwburg die bruisende plek geworden. Theater vormt nog steeds het kloppende hart van de programmering, maar er is ook plaats voor maatschappelijk relevante en actuele programma's onder de naam Expanding Theatre.

Internationaal Theater Amsterdam (ITA, 2018-2026)

Tussen 1 januari 2018 en 21 september 2026 droeg het gebouw de naam Internationaal Theater Amsterdam. De naamswijziging kwam voort uit een fusie tussen de Stadsschouwburg met Toneelgroep Amsterdam.
Vanaf seizoen 2018/2019 traden zij naar buiten onder de gemeenschappelijk naam Internationaal Theater Amsterdam (ITA) als producent en Internationaal Theater Amsterdam, Amsterdam als locatie.
Op 3 september 2026 werd bekend dat de naam voor het gebouw per 22 september 2026 zou worden teruggedraaid naar Stadsschouwburg Amsterdam. Het gezelschap en de organisatie van het gebouw blijven wel Internationaal Theater Amsterdam heten.[1]

Zaalinformatie

ZaalnaamGrote zaal
Zaalcapaciteit750
Openingsdatum
Sluitingsdatum
Toelichting


ZaalnaamRabozaal
Zaalcapaciteit500
Openingsdatum
Sluitingsdatum
Toelichting



Premières

Het overzicht hieronder bevat alle producties die op deze locatie in première zijn gegaan, zowel onder de naam Stadsschouwburg Amsterdam (1894-2017 en vanaf 22 september 2026) als onder de naam Internationaal Theater Amsterdam (tussen 1 januari 2018 en 21 september 2026), voor zover geregistreerd in de Theaterencyclopedie.

Première-overzicht van de locatie(s)
Productie Producent Premièredatum
Jolanthe (König René's Tochter) Koninklijke Vereeniging Het Nederlandsch Tooneel (K.V.H.N.T.) 5 april 1879
Denise Koninklijke Vereeniging Het Nederlandsch Tooneel (K.V.H.N.T.) 21 februari 1885
Plicht Koninklijke Vereeniging Het Nederlandsch Tooneel (K.V.H.N.T.) 20 maart 1894
In de directiekamer Koninklijke Vereeniging Het Nederlandsch Tooneel (K.V.H.N.T.) 1 september 1894
Gysbreght van Aemstel, slotscène Koninklijke Vereeniging Het Nederlandsch Tooneel (K.V.H.N.T.) 1 september 1894
Rienzi (De laatste der Tribunen) Nederlandsche Opera 4 september 1894
Madame Sans-Gêne Koninklijke Vereeniging Het Nederlandsch Tooneel (K.V.H.N.T.) 8 september 1894
In Centrum Koninklijke Vereeniging Het Nederlandsch Tooneel (K.V.H.N.T.) 8 september 1894
De barbier van Sevilla Nederlandsche Opera 18 september 1894
Faust Nederlandsche Opera 4 oktober 1894
Een gril Koninklijke Vereeniging Het Nederlandsch Tooneel (K.V.H.N.T.) 17 oktober 1894
Raskolnikow Koninklijke Vereeniging Het Nederlandsch Tooneel (K.V.H.N.T.) 17 oktober 1894
Paljas (Pagliacci) Nederlandsche Opera 23 oktober 1894
Cavalleria rusticana Théâtre de l'Opéra Français 26 oktober 1894
Siciliaansche boereneer Nederlandsche Opera 30 oktober 1894
Joseph en zijne broeders Nederlandsche Opera 6 november 1894
Die Walküre Wagnervereeniging 23 november 1894
Leiden ontzet Nederlandsche Opera 27 november 1894
Gringoire Koninklijke Vereeniging Het Nederlandsch Tooneel (K.V.H.N.T.) 28 november 1894
Cyprienne Koninklijke Vereeniging Het Nederlandsch Tooneel (K.V.H.N.T.) 28 november 1894
Lakmé Nederlandsche Opera 4 december 1894
De blinde van het kasteel Cuillé Nederlandsche Opera 18 december 1894
De troubadour Nederlandsche Opera 25 december 1894
Gysbreght van Aemstel Koninklijke Vereeniging Het Nederlandsch Tooneel (K.V.H.N.T.) 1 januari 1895
De vliegende Hollander Nederlandsche Opera 8 januari 1895
Het goudvischje Koninklijke Vereeniging Het Nederlandsch Tooneel (K.V.H.N.T.) 8 januari 1895
Dames en heeren uit Pont-Arcy Koninklijke Vereeniging Het Nederlandsch Tooneel (K.V.H.N.T.) 18 januari 1895
Romeo en Julia Nederlandsche Opera 29 januari 1895
Siegfried Wagnervereeniging 1 februari 1895
Gismonda Koninklijke Vereeniging Het Nederlandsch Tooneel (K.V.H.N.T.) 6 februari 1895
Storm op zee Koninklijke Vereeniging Het Nederlandsch Tooneel (K.V.H.N.T.) 18 februari 1895
De slaapwandelaarster Nederlandsche Opera 26 februari 1895
Seleneia Nederlandsche Opera 5 maart 1895
Anarchisten Koninklijke Vereeniging Het Nederlandsch Tooneel (K.V.H.N.T.) 20 maart 1895
Willem Tell Nederlandsche Opera 26 maart 1895
Paljas Nederlandsche Opera 29 maart 1895
De regimentsdochter Nederlandsche Opera 2 april 1895
De Navarreesche Nederlandsche Opera 11 april 1895
Hamlet, prins van Denemarken Koninklijke Vereeniging Het Nederlandsch Tooneel (K.V.H.N.T.) 14 april 1895
Fidelio Nederlandsche Opera 16 april 1895
Lohengrin Nederlandsche Opera 19 april 1895
Het spookhotel (L'Hôtel du Libre Echange) Koninklijke Vereeniging Het Nederlandsch Tooneel (K.V.H.N.T.) 27 april 1895
Mijn huishoudster Koninklijke Vereeniging Het Nederlandsch Tooneel (K.V.H.N.T.) 1 augustus 1895
De Prinses van Bagdad Koninklijke Vereeniging Het Nederlandsch Tooneel (K.V.H.N.T.) 7 augustus 1895
Margot Koninklijke Vereeniging Het Nederlandsch Tooneel (K.V.H.N.T.) 21 augustus 1895
De tweede mevrouw Tanqueray Koninklijke Vereeniging Het Nederlandsch Tooneel (K.V.H.N.T.) 1 september 1895
Faust Nederlandsche Opera 17 september 1895
Jeruzalem Nederlandsche Opera 24 september 1895
Een blok aan 't been Koninklijke Vereeniging Het Nederlandsch Tooneel (K.V.H.N.T.) 2 oktober 1895
Aïda Nederlandsche Opera 15 oktober 1895
Don César de Bazan Koninklijke Vereeniging Het Nederlandsch Tooneel (K.V.H.N.T.) 17 oktober 1895
Liederen (Twee kerelen, Matrozenlied, Van eene koningsvrouwe) Koninklijke Vereeniging Het Nederlandsch Tooneel (K.V.H.N.T.) 17 oktober 1895
Scène maken Koninklijke Vereeniging Het Nederlandsch Tooneel (K.V.H.N.T.) 17 oktober 1895
Vlinders Koninklijke Vereeniging Het Nederlandsch Tooneel (K.V.H.N.T.) 19 oktober 1895
De Navarreesche Nederlandsche Opera 25 oktober 1895
Om de kroon Koninklijke Vereeniging Het Nederlandsch Tooneel (K.V.H.N.T.) 2 november 1895
Het gouden kruis Nederlandsche Opera 12 november 1895
De barbier van Sevilla Nederlandsche Opera 29 november 1895
Zooals de ouden zongen, enz. Koninklijke Vereeniging Het Nederlandsch Tooneel (K.V.H.N.T.) 7 december 1895
De regimentsdochter Nederlandsche Opera 10 december 1895
Tannhäuser Nederlandsche Opera 17 december 1895
De gouden spin Koninklijke Vereeniging Het Nederlandsch Tooneel (K.V.H.N.T.) 18 december 1895
Die Meistersinger von Nürnberg Wagnervereeniging 17 januari 1896
Lakmé Nederlandsche Opera 19 januari 1896
Mignon Nederlandsche Opera 28 januari 1896
De koerier van Lyon Koninklijke Vereeniging Het Nederlandsch Tooneel (K.V.H.N.T.) 30 januari 1896
Koning Richard de Derde Koninklijke Vereeniging Het Nederlandsch Tooneel (K.V.H.N.T.) 8 februari 1896
De avonturierster Koninklijke Vereeniging Het Nederlandsch Tooneel (K.V.H.N.T.) 4 maart 1896
Twee oude heren (Suzanne et les deux vieillards) Koninklijke Vereeniging Het Nederlandsch Tooneel (K.V.H.N.T.) 4 maart 1896
Denise Koninklijke Vereeniging Het Nederlandsch Tooneel (K.V.H.N.T.) 8 maart 1896
Marcelle Koninklijke Vereeniging Het Nederlandsch Tooneel (K.V.H.N.T.) 25 maart 1896
Manon Nederlandsche Opera 7 april 1896
Trilby Koninklijke Vereeniging Het Nederlandsch Tooneel (K.V.H.N.T.) 18 april 1896
De viool van Cremona Nederlandsche Opera 23 april 1896
Mara Nederlandsche Opera 23 april 1896
Tristan und Isolde Wagnervereeniging 8 mei 1896
Muisje Koninklijke Vereeniging Het Nederlandsch Tooneel (K.V.H.N.T.) 29 mei 1896
Gravin Fritzi Koninklijke Vereeniging Het Nederlandsch Tooneel (K.V.H.N.T.) 10 augustus 1896
Circusmenschen Koninklijke Vereeniging Het Nederlandsch Tooneel (K.V.H.N.T.) 19 augustus 1896
Lohengrin Nederlandsche Opera 1 september 1896

… overige resultaten


Bronnen

  • Productiedatabase
  • Theaters in Nederland sinds de zeventiende eeuw. Redactie Bob Logger, Eric Alexander, Menso Carpentier Alting, Nico van der Krogt, Nathalie Wevers. Theater Instituut Nederland, 2007
  1. ↑ Beeckmans, Joke. "De Stadsschouwburg van Amsterdam heet weer Stadsschouwburg Amsterdam". Geraadpleegd 3 september 2026.