Gebruiker: Siang/kladblok

Uit TheaterEncyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

De technische realisatie van voorstellingen

in één woord ook wel aangeduid met het begrip theatertechniek.

Inhoudsopgave

Deze pagina geeft toegang tot zoveel mogelijk lemma’s over onderwerpen op dit gebied zoals:

  • toelichtingen op de samenhang van theatertechniek met theatervormgeving en -architectuur
  • nadere omschrijving van het begrip theatertechniek en de grenzen met andere gebieden
  • beschrijvingen van de werkzaamheden van de diverse beroepsbeoefenaren in de theatertechniek
  • definities van termen die daarbij gebruikt worden,
  • linken naar andere lemma’s en lijsten over aanverwante onderwerpen.

Definitie theatertechniek

Alhoewel het woord theatertechniek heel veel gebruikt wordt in de theaterwereld en voor bijna iedereen duidelijk is wat met dit woord bedoeld wordt is het wonderlijke dat het woord eigenlijk niet bestaat, althans het komt niet voor in de woordenboeken van de Nederlandse taal. De vraag ligt dan voor de hand: wat is Theatertechniek dan precies? Het antwoord is - op basis van een onderzoek naar de zin of onzin van een museum voor theatertechniek (uit 1992 ), in opdracht van het voormalige Theater Instituut Nederland -: wat wel bestaat zijn de theatertechnici, die ten behoeve van theatervoorstellingen over de kennis een vaardigheden beschikken om, uit alle bestaande technieken in de wereld, die te kiezen die de ideeën van scheppers en vormgevers in materiële zin kunnen realiseren. Met andere woorden theatertechnici zijn de vakmensen in de podiumkunsten die de juiste technische middelen organiseren, appliceren, bedienen en beheren gedurende het gehele plannings-, wordings- en uitvoeringproces van een voorstelling, inclusief het gebouw of de locatie waar die zal plaatsvinden.

Uitgaande van deze definitie is het duidelijk dat het werkgebied van theatertechnici in de eerste plaats samenhangt met de realisering van de concepten die schrijvers, regisseurs, choreografen, componisten, decor-, kostuum-, licht- en geluidsonwerpers e.d. bedenken, alsmede de locaties waar die concepten in voorstellingen worden gerealiseerd: de theatergebouwen en daarom met theaterarchitectuur. Theatertechnici zetten zich niet alleen voor de realisering van voorstelling, maar houden zich tevens ook bezig met de omstandigheden en voorzieningen die podiumkunstenaars nodig hebben om hun optredens zo goed mogelijk te faciliteren en het publiek veilig en aangenaam van een voorstelling kunnen genieten. Voor een goed historisch begrip van de theatertechniek en van het werkterrein van theatertechnici is het dan ook interessant om de litteratuur over de ontwikkeling van de theaterarchitectuur te bestuderen.

Theaterarchitectuur in de historie

De Westerse theaterarchitectuur begint in de klassieke oudheid met de Griekse openlucht theaters en de Romeinse amfitheaters. Diverse overblijfselen daarvan zijn in de landen rond de Middellandse zee nog te zien, soms zodanig gerestaureerd dat er thans moderne theatervoorstellingen worden gegeven. Mede daardoor ontdekken theatertechnici en publiek bij die gelegenheden hoe bruikbaar de akoestiek, zichtlijnen en zelfs de inval en het verloop van het natuurlijk daglicht zijn voor hun moderne voorstellingen. Op het gebied van technische installatie's zou al bij Aeschylus sprake zijn van een kraanmachine, waarmee een acteur als een godheid van boven in de scene gebracht kon worden en spreekt de beroemde Romeinse bouwmeester Vitrivius over het gebruik van de z.g. periaktoi ( driezijdige houten prisma torens, ten behoeve van decorwisseling.</nowiki>

Na de teloorgang van de het Romeinse rijk, wordt in de wat duistere middeleeuwen nog steeds theater gespeeld. Binnenshuis in de paleizen en buitenhuizen van de heersende klasse, maar voor het volk buiten op tijdelijk opgebouwde podia op jaarmarkten en kermissen,in processies van rijk versierde praalwagens of toch binnen in de kerken, waar tableaus uit de bijbel in scene werden gezet. Hoe dat in werkelijkheid is geweest kunnen we slechts afleiden uit een aantal prenten en schilderijen uit die tijd. Daaruit komt duidelijk naar voren dat in alle gevallen voor de opbouw en transport van al die bouwsels van tenten, paviljoens en rijdende praalwagens veel menskracht en inventiviteit nodig zal zijn geweest, van het soort waar we tegenwoordig de theatertechnici voor hebben.

Pas aan het eind van 16e eeuw, wanneer men in de cultuurgeschiedenis spreekt van de Renaissance worden er nieuwe overdekte gebouwen ontworpen en gerealiseerd specifiek voor theatervoorstellingen. Hiermee begint een architectonische ontwikkeling die zou leiden tot het z.g. proscenium- of lijsttheater zoals we dat nu nog kennen. In Italië werd in Vicenza in 1585 het Teatro Olimpico in gebruik genomen. Het gebouw bestaat nog steeds en er wordt incidenteel ook nog gebruikt. Bijzonder is ook dat het van hout opgebouwde decor zo'n eenheid vormde met de architectuur van het gebouw en de zichtlijnen gezien vanuit het publiek, dat men dat tot op heden intact heeft gelaten.

Een volgende stap in de ontwikkeling van het prosceniumtheater is eveneens te zien in Italië in Parma, het Teatro Farnese uit 1618.

In Londen, aan het eind van de 16e eeuw, ontstonden andersoortige theatergebouwen waarvan het uit 1599 gereconstrueerde Globe Theatre thans weer te zien is. In deze z.g. Elizabethaanse theaters als deze werden o.a. verschillende toneelstukken van William Shakespeare voor het eerst opgevoerd. De filosofie op grond waarvan dit soort theaters was ontworpen zal in twintigste eeuw opnieuw onder de aandacht komen.

Nieuwe belangrijke architectonische ontwikkelingen in de theaterbouw deden zich voor in de periode in de 17e en 18e eeuw die in de Europese cultuurgeschiedenis wordt aangeduid met de barok. Behalve de veranderingen naar hoefijzervormige zaalvormen en de publieksopstellingen, zijn in deze periode de ontwikkeling op het gebied van van de toneeltechnische mechanische installaties interessant, zoals deze te zien zijn in nog bestaande baroktheaters in Drottningholm in Zweden of Český Krumlov in Tsjechië.

In Nederland werd in 1637 het eerste vaste inpandige theater in Nederland in gebruik genomen en deze werd Schouwburg genoemd, een typisch Nederlands woord dat in geen enkel ander land een equivalent kent. In 1664 voldeed deze schouwburg niet meer, werd gesloten en op dezelfde locatie zeer grondig verbouwd en in 1674 geopend, nog steeds onder de naam Amsterdamse schouwburg, met theatertechnische installaties, zoals die in andere theaters in de wereld in de barok gebruikelijk waren. Helaas brandde deze schouwburg in 1772 af. De theaterhistoricus Wiebe Hoogendoorn schreef het boek Schouwburg in beeld, waarin hij aan de hand van een serie decorprenten inzicht geeft in de vormgeving en de praktijk van dit theater in bedrijf.

Een zelfde soort schouwburg werd in 1702 in de stad Leiden geopend; dit gebouw is wel blijven bestaan, al werd het diverse malen [Leidse Schouwburg, Leiden|verbouwd] en zo goed mogelijk aangepast aan de eisen van nieuwe tijden. Het geldt als het oudste overgebleven theatergebouw in Nederland.

De volgende grote stappen in de ontwikkeling van de theaterarchitectuur volgen in de achttiende en negentiende eeuw. De opkomst van de burgerij, de groeiende behoefte aan cultuuruitingen waar men zich sociaal kon profileren en ontwikkelingen op het gebied van wetenschap en techniek leiden aan het einde van die periode tot de bouw van grote pompeuze theatergebouwen, waarvan er velen nog steeds bestaan. Een goed voorbeeld daarvan is de Opera Garnier te Parjs die in 1875 werd geopend, zie: Wikipedia in het Nederlands of uitgebreider Wikipedia in het Engels.

Aan het einde van 19e eeuw introduceerde Richard Wagner een bijzondere architectonisch ontwikkeling in de theaterbouw met een gebouw, geheel toegespitst op dat wat in zijn ogen nodig was voor een goede uitvoering van zijn opera's: het Bayreuther Festspielhaus. Belangrijkste nieuwe kenmerk: een grote orkestbak voor net grootste deel onder het toneel.

In Amsterdam, aan het begin van die periode, na de brand van de Amsterdamse schouwburg in 1772, besloot het gemeente bestuur tot de bouw van nieuwe schouwburg, die geopend werd in 1774 en nu Stadsschouwburg Amsterdam werd genoemd. Ook dit gebouw werd weer door brand werd verwoest in 1890. Deze schouwburg kwam aan het Leidseplein, op de plek waar na die brand nu een nieuw gebouwdestadsschouwburg staat die vanaf 1 januari 2018 Internationaal Theater Amsterdam is gaan heten.

De twintigste eeuw laat ontwikkelingen in diverse richtingen zien in de theaterarchitectuur. Werden enerzijds de grote voorbeelden uit de 19e eeuw gekopieerd, aan de andere kant zocht een architect en scenograaf als Adolphe Appia naar een nieuwe samenhang tussen theatrale inhoud, vormgeving en vooral ook de invloed van toneellicht en wat daar architectonisch voor nodig was, in het Festspielhaus Hellerau, dat hij voor dat doel in die plaats bij Dresden wist te realiseren.

Appia's experimenten waren van grote invloed op andere vernieuwende theatermakers als de Engelse Edward Gordon Craig en de Franse Jacques Copeau. In de tweede helft van de twintigste eeuw zouden deze o.a een inspiratiebron vormen voor de ontwikkeling van het vlakke vloer theater ook wel zwarte doos theaters genaamd. Daarnaast werd nieuwe inspiratie gevonden in het Elizabethaanse theater uit de 16e eeuw.

Theatervormgeving in historie

Theatervormgeving, ook scenografie genoemd is een begrip dat eigenlijk pas aan het eind van twintigste eeuw voor het eerst werd gebuikt, maar pas in de 20tigste eeuw echt betekenis heeft gekregen.

Aan de andere kant was vanaf de klassiek oudheid natuurlijk wel degelijk sprake van vormgeving voor elke voorstelling, die bepaald werd door de toneelschrijvers, initiatoren en opdrachtgevers van die voorstellingen en architecten van de theaterlocaties. De vormgeving was echter meer een decoratieve en/of architectonische zetting waarin meerdere voorstellingen zich konden afspelen. Het ging vaak om standaard decors of ook wel coulissen decors genoemd. Zie Decorprenten Amsterdamse Schouwburg (1664-1772) uit de 18e eeuw en ook de originele Achterdoeken B.J. van Hove, die in Nederland bewaard zijn gebleven uit het begin van negentiende eeuw. Deze achterdoeken werden standaard bij diverse voorstellingen gebruikt, al naar gelang de scène in een interieur, exterieur, bos etc. speelde.

Ook de voor kostuums geldt dat pas vanaf eind 19e en begin twintigste eeuw sprake is van specifieke ontwerpen. Theaterkostuums benaderden dan vaak ook zo dicht mogelijk de dagelijkse werkelijkheid uit de tijd van het stuk. Soms enigszins gestileerd of (noodgedwongen) vereenvoudigd en daar waar het kon extra verfraaid. Theaterkostuums waren daardoor tevens gebonden aan modes uit de tijd zelf of althans aan opvattingen over hoe men in andere tijden gekleed zou zijn gegaan. Karakters van spelers waren ook vaak herkenbaar, doordat zij kostuums droegen, voorkomend uit een bepaalde (volks-) traditie, zoals bijvoorbeeld de figuren van de commedia dell’arte. Vanaf de twintigste eeuw werd het een gebruik om theaterkostuums specifiek te ontwerpen om daarmee juist de dieperliggende of meer abstracte elementen van het karakter van de speler tot uitdrukking te laten komen.

In de dans was daarnaast sprake van langzame ontwikkelingen naar kostuums die meer bewegingsvrijheid van het lichaam boden in relatie tot het voortschrijdende bewegingsvocabulaire.

Van grote invloed op het ontstaan van theatervormgeving zoals we dat nu kennen, waren de voorstellingen die door hertog George II van Saksen-Meiningen in zijn hoftheater werden georganiseerd. Hij streefde in zijn voorstellingen naar historische nauwkeurigheid en ontwierp op basis van bronnen als schilderijen etc. bij de tekst van het stuk passende decors en kostuums. Hij gaf samen met zijn echtgenote, de actrice Ellen Franz aan acteurs nauwgezette instructies t.a.v. hun optreden en zij waren daarmee de eerste regisseur en vormgever zoals die functies in de twintigste eeuw betekenis kregen. We mogen als vanzelfsprekend aan nemen dat hij ook zo sturend was naar alle groepen medewerkers voor en achter de schermen, waaronder de mensen die we nu theatertechnici noemen.

Een andere belangrijke impuls t.a.v. het begrip vormgeving kwam van de al eerde vermelde Adolphe Appia e.a., in het bijzonder ook op het punt van gebruik van licht voor de vormgeving.

Theatertechnici in de historie

In de vroege geschiedenis van de ontwikkeling van Westerse theaterkunsten worden theatertechnici niet apart benoemd. Eigenlijk is daar pas sprake van aan het eind van de 19e eeuw, wanneer door de introductie van het gaslicht en aan het begin van 20ste eeuw electrisch licht voor een veilig gebruik daarvan steeds meer technische deskundigheid nodig was om deze techniek veilig én creatief te kunnen toepassen.

Natuurlijk waren er vanaf het eerste begin van het Westerse theater wel degelijk aparte menskrachten “achter de schermen” nodig om voorstellingen te realiseren; zij waren uitvoerders van werkopdrachten van theatervormgevers, regisseurs en andere personen, die als auteurs werden aangeduid van de betreffende voorstelling. Deze werkkrachten werden niet benoemd als beroepsmensen die een eigen bijdrage leveren aan het realiseren van een voorstelling.

Als het begrip theatertechnicus al gebruikt werd in de theatergeschiedenis dan ging het om de namen van opdrachtgevers, vaak die van de architecten. Hun namen waren niet alleen verbonden aan het architectonisch uiterlijk van het gebouw, maar vooral ook aan de theatertechnische aspecten zoals de akoestiek, de zichtlijnen en de vaak gecompliceerde machinerieën waarmee allerlei theatrale effecten konden worden gerealiseerd. Zij waren daarmee als het ware tevens de theatervormgevers van de voorstellingen, want het begrip theatervormgeving en de beroepen theatervormgever, Scenograaf,decor-,kostuumontwerper en al helemaal dat van lichtontwerper zoals wij die begrippen nu kennen, is ook iets van veel latere datum.

Al vanaf de beschrijvingen van de eerste openluchttheaters in het oude Griekenland, kan men afleiden dat er naast de optredenden altijd medewerkers achter de schermen moeten zijn geweest, die we tegenwoordig theatertechnici zouden noemen. Wie zich bijvoorbeeld verdiept in wat er in de Romeinse theaters en zeker in de grote amfitheaters als het het Colosseum zal hebben afgespeeld, kan niet anders geloven dan dat er honderdeden "theatertechnici" achter de schermen nodig zijn geweest, voor het realiseren van de gigantische spektakels met wilde dieren, gladiatoren, wagenrennen en zelfs hele zeeslagen in de onder water gezette arena.

In het geweldige 915 bladzijden tellende "Een theatergeschiedenis der Nederlanden", het Nederlandse standaardwerk van Rob Erenstein, komt het woord theatertechniek of theatertechnicus niet éénmaal voor, maar wel een stuk over de heropening van de verbouwde Amsterdamse Schouwburg in 1665, waarbij de nadruk ligt op de installatie van "kunst en vliegwerken, verzinkluiken en watervallen" om een theater van internationale allure te zijn. Wie voorts de vergelijkbare weinige nog overgebleven functionerende theaters uit de 17e en 18 eeuw in in Europa heeft gezien in bv Drottningholm in Zweden of Český Krumlov in Tsjechië, kan weten hoeveel geschoolde mankracht er nodig is om daar met al die ingewikkelde installaties een voorstelling te realiseren. Dat zal dus ook in de vernieuwde Amsterdamse Schouwburg het geval zijn geweest.

Op het gebied van theater heeft Nederland vanaf de 17e eeuw een andersoortige positie ingenomen dan in de ons omringende landen, waar theater vooral een cultuuruiting was van de heersende, adelijke klassen, die ook grote gezelschappen van acteurs, zangers, dansers en musici in stand hielden in grote instituten. Thans bestaan deze veelal nog steeds


In Nederland was theater meer een zaak van de gegoede burgerij, die weliswaar schouwburgen liet bouwen, enigszins vergelijkbaar met de theaters in het buitenland, maar wel veel minder omvangrijk en zonder grote vaste ensembles. In Nederland was en is het nog steeds gebruikelijk dat de podiumkunstenaars en de medewerkers van gezelschappen op reis gaan naar de verschillende schouwburgen en theaterlocaties. Hierdoor ontstond een soort tweedeling van de beroepsgroep theatertechnicus, enerzijds mensen die zich in de eerste plaats verbonden voelen met een theatergebouw en technici die zich vooral verbonden voelen met het concept van een voorstelling. In de praktijk betekent het dat beide groepen hebben moeten leren samen te werken, vanuit ieders eigen primair belang.