Tweede Wereldoorlog

Uit TheaterEncyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Door het Duitse Rijk afgestane gebieden na de Eerste Wereldoorlog.
Rijkspartijdag 1935
Hitler Mussolini 1938
München 1938
Polen 1939
Rotterdam na het Bombardement op Rotterdam 1940
Parijs 1940
Heinkels 1940
Londen, na een bombardement
oktober 1941 slag om de Atlantische Oceaan
Britse Crusader tank passeert een brandende Duitse Panzerkampfwagen IV tank bij Tobroek, november 1941

De Tweede Wereldoorlog was de samensmelting van een aantal aanvankelijk afzonderlijke militaire conflicten die van 1939 tot 1945 op wereldschaal werden uitgevochten tussen twee allianties: de asmogendheden en de geallieerden. In Europa vielen de Duitse troepen op 1 september 1939 Polen binnen. Dit leidde op 3 september 1939 tot een oorlogsverklaring aan Duitsland door het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk. De meest dramatische uitbreiding van het conflict vond plaats op 22 juni 1941 met de Duitse aanval op de Sovjet-Unie. Desondanks kon de oorlog nog steeds worden gezien als een Europese oorlog, los van de Japanse expansie in Oost-Azië. Dit veranderde toen op 7 december 1941 Japan de United States Pacific Fleet bij Pearl Harbor bombardeerde en de Verenigde Staten prompt Japan de oorlog verklaarde. Hitler verklaarde vier dagen later de Verenigde Staten de oorlog, formeel omdat Duitsland en Japan in 1936 het Anti-Kominternpact hadden gesloten, feitelijk omdat Amerika reeds lang materiële steun gaf aan de Britten. In maart 1941 was die steun geformaliseerd in de Leen- en Pachtwet. Er ontwikkelde zich een samenwerking tussen de Sovjet-Unie enerzijds en de Britten en Amerikanen anderzijds, die gekenmerkt werd door veel wederzijdse onwennigheid en wantrouwen, waarop door de Duitsers werd ingespeeld; deze samenwerking zou na de Tweede Wereldoorlog al gauw omslaan in een Koude Oorlog.

De oorlog kenmerkte zich door een tot op dat moment ongekende bruutheid. In vorige oorlogen was over het algemeen een principieel onderscheid gemaakt tussen burgers en militairen, waarbij de burgers zoveel mogelijk ontzien werden, of in ieder geval geen primair doel vormden. Dit principe werd in de Tweede Wereldoorlog op grote schaal verlaten; alle partijen beschouwden elkaars burgers als valide doelen, met het argument dat ook de burgers bijdroegen aan het oorlogvoerend vermogen van de vijand. De oorlog is daarmee het meest sprekende voorbeeld van een totale oorlog. Daarnaast waren zowel nazi-Duitsland als de Sovjet-Unie dictatoriale regimes, die ook delen van hun eigen bevolking wreed onderdrukten. Ook de oorlog tussen militairen was uitgesproken hard, vooral aan het oostfront, en de internationale "spelregels" voor de oorlogvoering (vastgelegd in de Conventie van Genève) werden systematisch en op grote schaal overtreden, met name met betrekking tot de behandeling van krijgsgevangenen.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog vielen tussen de 50 en 70 miljoen doden. Ongeveer twee derde van alle slachtoffers waren burger waarvan naar schatting meer dan elf miljoen minderheden stelselmatig werden vervolgd en vermoord. Het was de eerste en tot op heden (2011) enige oorlog waarin kernwapens werden ingezet.

België en Nederland werden op 10 mei 1940 door Duitsland aangevallen. De daaropvolgende bezetting duurde in België tot 17 september 1944 en in (het noorden van) Nederland tot 6 mei 1945. Japan viel Nederlands-Indië binnen op 10 januari 1942 en capituleerde op 15 augustus 1945. Nederland zou nooit meer de volledige controle over het eilandenrijk verkrijgen, dat in 1949 onafhankelijk werd.

Oorzaken van de oorlog in Europa

De strijd om de Europese Hegemonie 1866 - 1918

Na de totstandkoming van het Duitse Keizerrijk in 1871 nam de Pruisisch-Duitse macht snel toe, ondersteund door reeds aan de gang zijnde bevolkingsgroei en industriële ontwikkeling. Het nog niet geheel verenigde Duitsland had de Tweede Duits-Deense Oorlog (1864) en de Pruisisch-Oostenrijkse Oorlog (1866) gewonnen, en de snelle nederlaag van Frankrijk in de Frans-Duitse Oorlog, waarbij Duitsland de Elzas en Lotharingen veroverde, maakte duidelijk dat de machtsverhoudingen in Europa grondig gewijzigd waren. Bovendien was er een ernstig territoriaal geschil ontstaan met Frankrijk. Door een onhandige Duitse buitenlandse politiek onder Wilhelm II ontstonden ook spanningen tussen het Duitse Keizerrijk en Groot-Brittannië en Rusland. In het eerste geval omdat Duitsland zich steeds meer ontwikkelde tot een maritieme rivaal, in het tweede geval door Duitse steun aan Oostenrijk-Hongarije in de Balkan. Tijdens de Eerste Wereldoorlog (1914-1918) toonde Duitsland aan dat het sterker was dan Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk en hun koloniale hulptroepen bij elkaar, omdat in de eerste drie jaar de westelijke mogendheden maar nauwelijks stand konden houden op hun eigen terrein en Duitsland het Russische Keizerrijk versloeg in bondgenootschap met de Oostenrijkers. Maar de Duitsers hadden desondanks toch niet genoeg aanvalskracht om aan het Westelijke Front een beslissende doorbraak te forceren. Naarmate de oorlog zich voortsleepte slonken langzaam de Duitse reserves en hulpbronnen en in de herfst van 1918 werd Duitsland alsnog gedwongen een wapenstilstand te tekenen met de Fransen, de Britten en de te hulp geschoten Amerikanen. Het Duitse keizerlijke regime kwam ten val (evenals het Oostenrijkse) en uit de Vrede van Versailles (1919) kwam geen stabiele situatie voort. Er werden enorme herstelbetalingen afgedwongen en enkele territoriale concessies: Elzas en Lotharingen (welke bevolkt werden door etnische Duitsers) moesten terug naar Frankrijk; diverse andere gebieden in het oosten werden aan het sinds 1793 weer onafhankelijke Polen afgestaan. Oost-Pruisen raakte hierdoor geïsoleerd van de rest van Duitsland door de 'corridor van Danzig', waar de eerste schoten van de Tweede Wereldoorlog gelost zouden worden. De kern van het probleem was niet verholpen: de potentiële Duitse hegemonie in Europa. De Franse maarschalk Foch omschreef het Verdrag van Versailles dan ook als 'geen vrede, maar een wapenstilstand van 20 jaar'.

Duitse instabiliteit 1918 - 1929

Het politiek instabiele Duitsland van na de wapenstilstand (1918) was ten prooi gevallen aan chaos en armoede, waarbij links en rechts streden om de macht. Deze strijd zou uiteindelijk worden beslecht in het voordeel van het extreemrechtse en totalitaire nationaalsocialisme. De essentie van deze fascistische stroming was dat de sterkere het recht heeft de zwakkere te overheersen. Dit verklaart zowel het radicaal nationalistische, antisemitische, militaristische, antidemocratische en anticommunistische karakter van deze beweging als de ideologisch geïnspireerde vernietigingsoorlog die hieruit voortvloeide. Het Verdrag van Versailles (1919) verplichtte Duitsland tot territoriale concessies, financiële offers en een drastische beperking van haar militaire macht. Bovendien werden geallieerde troepen in het Rijnland gelegerd. De vernedering was een bron voor Duits ressentiment en zou de uiterst rechtse nationalistische partijen in de kaart spelen. Ook de opdeling van Duits grondgebied zonder rekening te houden met de bevolkingssamenstelling zou aanleiding geven voor internationale spanningen. In het verarmde en hongerige Rusland van 1917 braken revoluties uit. De hierop volgende Communistische machtsovername leidde in heel Europa tot ernstige onlusten. Europa zou na 1917 veelvuldig in de greep komen van de angst voor het “Communistisch gevaar” en deze angst zou de opkomst van het Fascisme in Italië en het nationaalsocialisme in Duitsland een enorme impuls geven. In november 1918 vond in Duitsland een door de Russische Revolutie geïnspireerde linkse Novemberrevolutie plaats, die de kop werd ingedrukt door uit gedemobiliseerde soldaten samengestelde vrijkorpsen. De extreem rechtse vrijkorpsen werden deels gedreven door de theorie dat communisten, socialisten, republikeinen en Joden het land zouden hebben verraden en dat Duitsland daarom de oorlog had verloren (de zogenaamde dolkstootlegende).

De naoorlogse economische crisis verergerde nadat Duitsland in 1923 de opgelegde herstelverplichtingen niet langer nakwam en Franse en Belgische troepen het Ruhrgebied bezetten. Hierna braken stakingen uit die door de Duitse staat werden aangemoedigd. Om de stakingskas te vullen draaide de geldpers en dit veroorzaakte hyperinflatie. De economische chaos ontketende in het hele land onlusten en de Weimarrepubliek verloor de steun van de door de geldontwaarding verarmde burgerij. De Nationaalsocialistische Duitse Arbeiderspartij onder leiding van Adolf Hitler zou deze onlusten aangrijpen om in 1923 in Beieren een greep naar de macht te doen. Deze Bierkellerputsch mislukte en Hitler werd tot 5 jaar gevangenisstraf veroordeeld waarvan hij uiteindelijk 1 jaar moest uitzitten. Tijdens deze detentie dicteerde hij zijn beruchte boek Mein Kampf dat later een centrale plaats in de nazipropaganda zou innemen. Ondanks de aanvankelijke tegenslagen zou het nationaalsocialisme in de Duitse poel van armoede, angst, chaos en onvrede van de jaren twintig en dertig een vruchtbare voedingsbodem vinden. Adolf Hitler bleek namelijk te beschikken over een opmerkelijk redenaarstalent en politiek instinct. Deze twee eigenschappen, opgeteld bij zijn dominerende drang naar macht en gebrek aan moreel besef stelden hem in staat de situatie uit te buiten en zouden hem en zijn partij de overheersing en de ondergang brengen. De depressie die ontstond na 1929 deed het ledental van de NSDAP groeien tot bijna 14.000.000 in juli 1932. In januari 1933 trad Hitler als Rijkskanselier aan met een regering waarin de nationaalsocialisten de minderheid vormden. Nu was hij zeer snel in staat alle macht naar zich toe te trekken en vanaf dat moment werd de Duitse politiek enkel en alleen door hem bepaald.

Het Derde Rijk startte vrijwel direct met herbewapening. De omvang van de Reichswehr was door de bepalingen van Versailles beperkt tot 100.000 man. Het had geen tanks, geen luchtmacht en nauwelijks schepen. Zes jaar later, bij het uitbreken van de vijandelijkheden, beschikte de Wehrmacht over 3,5 miljoen soldaten, 9.000 kanonnen, 2.500 tanks, 2.300 vliegtuigen, 57 onderzeeërs en 45 oppervlakteschepen.

Duitse buitenlandse politiek 1933 - 1939

De buitenlandse politiek van de nationaalsocialisten leidde tot een verhoogde kans op oorlog omdat Hitler streefde naar gebiedsuitbreiding in Oost-Europa ten koste van de Slavische volkeren. Hiertoe moest Polen worden vernietigd en Rusland gebroken. De spanningen met het Westen die hierdoor werden veroorzaakt waren slechts een afgeleide. Kenmerkend voor de periode 1933–1939 waren de Duitse successen zonder dat er oorlog uitbrak. De Westerse democratische landen zouden te lang pogen Hitler in te tomen met diplomatieke middelen waarbij de verschrikkingen van de Eerste Wereldoorlog hen zeker parten hebben gespeeld; degenen die in de jaren dertig leidinggevende posities bekleedden, hadden immers vaak zelf nog in de loopgraven gezeten. De toegeeflijkheid kwam echter ook voort uit een schuldgevoel aan de kant van Groot-Brittannië, Duitsland was na de oorlog zo onrechtvaardig behandeld dat vele eisen van Hitler als legitiem werden gezien. Zo was de wens van Hitler om alle Duitsers in één rijk te verenigen volstrekt in lijn met het Verdrag van Versailles, dit verdrag was echter in het nadeel van Duitsland beslecht op een aantal gebieden. Zo kwam in 1935 het Saarland "Heim ins Reich" en werd in 1936 het Rijnland weer door Duitse troepen bezet na jaren van Franse bezetting. In 1936 ontstond tevens de as Rome-Berlijn, deze alliantie zou met het staalpact van 1939 worden verstevigd. Vervolgens volgde de annexatie van Oostenrijk op 13 maart 1938 en die van Tsjecho-Slowakije op 15 maart 1939. Deze bezetting van Tsjecho-Slowakije markeert het eindpunt van Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk om met vreedzame middelen de veroveringszucht van nazi-Duitsland te beteugelen, mede omdat duidelijk werd dat Hitler meer wilde dan alleen een verenigd Duits rijk.

De oorlog in Europa

De Inval in Polen

Nazi-Duitsland viel op 1 september 1939 Polen aan (Fall Weiss). Deze aanval, ook wel Poolse campagne genoemd, zou vier weken duren. Het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk verklaarden op 3 september 1939 Duitsland de oorlog. Het is waarschijnlijk dat Hitler deze oorlogsverklaring van Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk niet had voorzien, en dus eigenlijk niet uit was op een algehele Europese oorlog. Afgezien van deze oorlogsverklaring en het vruchteloze Franse Saaroffensief van 7 september 1939 ondernamen de geallieerden overigens weinig. Conform het in augustus 1939 gesloten Molotov-Ribbentroppact viel de Sovjet-Unie op 17 september 1939 Oost-Polen binnen. Het Poolse leger werd nu vermorzeld tussen de Duitse en Russische strijdkrachten. De laatste Poolse eenheden capituleerden op 6 oktober 1939 waarna een deel van het Poolse leger en de regering eerst naar Frankrijk uitweken en vervolgens naar het Verenigd Koninkrijk.

De Russische expansie

De Winteroorlog begon toen de Sovjet-Unie op 30 november 1939 Finland aanviel in de verwachting de Karelische landengte binnen een maand te veroveren. De Sovjet-Unie wilde dit gebied hebben ter verhoging van de veiligheid van Leningrad, de tweede stad van het land. Het had eerst een gebiedsruil aangeboden aan Finland met een gebied aan de Finse oostgrens, maar Finland had dat afgewezen. Het Rode Leger ontmoette onverwacht felle Finse tegenstand en leed zware verliezen. Zo verloren de Russen meer dan 200.000 soldaten en meer dan 2000 tanks. De Finnen verloren ongeveer 25.000 man. Door het enorme overwicht van de Sovjet-Unie liep het op 13 maart 1940 echter toch uit op een staakt-het-vuren op Russische voorwaarden. Finland verloor 10 procent van haar grondgebied en 20 procent van haar industriële capaciteit. Het verloop van de winteroorlog tastte het prestige van het Rode Leger echter ernstig aan en droeg in hoge mate bij aan de Duitse onderschatting van Ruslands militair vermogen.

De Sovjet-Unie bezette in de daaropvolgende maanden ook nog Estland, Letland, Litouwen, Bessarabië en het Roemeense Noord-Boekovina, die nauwelijks militaire tegenstand boden.

Noorwegen en Denemarken

Noorwegen was voor de Duitse oorlogvoering belangrijk vanwege de aanvoerroutes van Zweedse ijzererts en als uitvalsbasis voor de Kriegsmarine. Zowel de Britten als de Duitsers maakten daarom in een vroeg stadium plannen voor een inval.

De Duitse vloot voer op 3 april 1940 naar Noorwegen en in Noorse wateren werden op 8 april door een Britse torpedobootjager mijnen gelegd. Vervolgens landden de Duitsers op 9 april in Oslo, Bergen, Trondheim en Narvik, en vielen zij Denemarken binnen (Operatie Weserübung). Denemarken capituleerde vrijwel onmiddellijk na slechts enkele schermutselingen. Hoewel op 15 april nog een geallieerde tegenaanval plaatsvond bij Narvik, Namsos en Åndalsnes waren de kaarten geschud na de vernietigende nederlagen in mei, elders op het Europese vasteland. Noorwegen capituleerde op 9 juni 1940 en de geallieerden moesten evacueren en Scandinavië achter zich laten.

De Westelijke Veldtocht 1940

Aan het Westelijk front was tot mei 1940 nauwelijks gevochten. Op 10 mei 1940 vielen de Duitsers echter Nederland, België en Luxemburg aan (Fall Gelb). Het Nederlandse leger, niet uitgerust voor een moderne oorlog, werd volkomen onder de voet gelopen. Desondanks verliep de campagne Duitsland te traag. Heinkels bombardeerden op 14 mei Rotterdam om daarmee Nederland sneller tot overgave te dwingen. Generaal Winkelman, de bevelhebber van de Nederlandse Strijdkrachten werd zowel geconfronteerd met een strategisch uitzichtloze situatie als met het Duitse dreigement tot vernietiging van alle grote Nederlandse steden. Woensdagochtend 15 mei 1940 tekende hij dan ook de capitulatie. In de provincie Zeeland werd de strijd door voornamelijk Franse troepen nog vijf dagen voortgezet. Het Belgisch leger probeerde zo lang mogelijk stand te houden tegen de Duitse overmacht, maar kon alleen nog de aftocht van het Britse Expeditieleger via Duinkerken dekken. Op 28 mei moest het leger noodgedwongen capituleren. Het Belgisch leger had 18 dagen volgehouden tegen een zeer grote Duitse overmacht. Deze periode kwam later bekend te staan als de Achttiendaagse veldtocht. De geallieerde legers hadden ondertussen gereageerd op de Duitse troepenbeweging door verplaatsing naar het noorden. Men meende dat het zwaartepunt van de Duitse aanval daar zou liggen, omdat het zuiden immers gedekt werd door de Maginotlinie en de ondoordringbaar geachte Ardennen. De Wehrmacht brak echter volkomen onverwacht door de verdedigingslinies bij Sedan, met de al in Polen beproefde Blitzkriegtactiek van een combinatie van oprukkende pantserdivisies en precisiebombardementen van de Luftwaffe. Ze rukte vervolgens zo snel op dat het Britse expeditieleger geïsoleerd werd. Op 20 mei bereikten verkenningseenheden van de tweede Duitse pantserdivisie de Kanaalkust bij de monding van de Somme. De Britten restte niets anders dan een vluchtpoging over het Nauw van Calais. Op 2 juni waren 330.000 soldaten erin geslaagd bij Duinkerke in te schepen en de oversteek te maken. Hun volledige uitrusting en ruim 68.000 dode, gewonde en gevangen kameraden lieten zij achter. Het Britse expeditieleger was verjaagd en België had gecapituleerd (28 mei). De Fransen hielden het hierna niet meer lang vol. Op 5 juni bogen de Duitsers af naar het zuiden (Fall Rot) en op 17 juni bereikten zij de Zwitserse grens ondanks felle Franse tegenstand. De troepen in de imposante Maginot-linie waren daarmee omsingeld, zodat het lot van Frankrijk bezegeld was. Het fascistische Italië, overtuigd dat de strijd was gestreden, verklaarde op 10 juni Frankrijk en Groot-Brittannië alsnog de oorlog en het viel Frankrijk in het zuidoosten aan met een overmacht van ca. 550.000 man om enkele grensgebieden te veroveren. Zij boekten echter nauwelijks terreinwinst wegens fel verzet van de Franse verdediging. De laatste Britse troepen trokken zich terug (Operatie Dynamo), waarna de Duitsers op 14 juni de open stad Parijs innamen. Op 18 juni hield generaal Charles de Gaulle, die naar Engeland had moeten vluchten, een later als historisch beschouwde radiorede waarin hij het Franse volk voorhield dat het een slag had verloren, maar niet de oorlog. Op dat moment was echter het enige gevolg dat hij door de Franse regering als muiter werd bestempeld en bij verstek ter dood veroordeeld. Op 22 juni 1940 ondertekende Frankrijk een wapenstilstand waarbij bepaald werd dat zestig procent van het Franse grondgebied bezet zou worden en in het overige zuidoostelijke deel de marionettenstaat Vichy-Frankrijk werd gevestigd, met de conservatief-nationalistische maarschalk Philippe Pétain als staatshoofd. De Duitse minister van volksvoorlichting Goebbels buitte de gelegenheid uit met een geweldige propagandastunt door voor de ondertekening dezelfde treinwagon te laten gebruiken als die waarin in 1918 de Duitse capitulatie getekend was.

De Slag om Engeland

De Britten vochten door ondanks de verpletterende nederlaag op het Europese vasteland. Hitler wilde zijn aandacht zo snel mogelijk op het Oosten richten maar Duitse vredesvoorstellen aan de Britten werden door dezen afgeslagen, vooral door toedoen van de nieuwe premier Winston Churchill. Op 16 juli 1940 gaf de Duitse opperbevelhebber (Hitler) daarom opdracht voorbereidingen te treffen voor de invasie en verovering van Groot-Brittannië (operatie Seelöwe). Maar door het grote overwicht van de Royal Navy over de relatief bescheiden Duitse marine zou een aanval slechts kans van slagen hebben als de Duitse strijdkrachten het luchtruim volledig zouden beheersen waarmee men dan de Britse schepen op afstand kon houden. De aanvallen van de Luftwaffe waren dan ook gedurende bijna twee maanden grotendeels gericht op de uitschakeling van de Royal Air Force. Toen op 24 augustus 1940 voor het eerst, al was het per ongeluk, Duitse bommen op Oost-Londen vielen leidde dat tot een Britse vergeldingsaanval op Berlijn. De woedende Hitler eiste onmiddellijk een afstraffing van 'deze brutaliteit' door een massaal bombardement van Londen. Het idee dat het met de Engelse luchtverdediging grotendeels was gedaan droeg ook bij tot deze fundamentele wijziging van de Duitse strategie. Vanaf 7 september 1940 werd getracht het Britse oorlogsmoreel te breken door stelselmatige terreurbombardementen van de burgerbevolking maar dit bleek een fatale vergissing. Het moreel werd niet gebroken, de Royal Air Force kreeg nu de gedroomde kans de onmisbare vliegvelden te herstellen en bracht tenslotte de Duitsers steeds zwaardere verliezen toe. Operatie Seelöwe werd uitgesteld en uiteindelijk afgeblazen. De Luftwaffe was meer dan 1500 vliegtuigen kwijt geraakt, en aan het oostfront zou de Duitse oorlogscapaciteit nooit volledig kunnen worden ingezet door de voortdurende dreiging in het westen.

De Slag om de Atlantische Oceaan

De Kriegsmarine trachtte vooral met onderzeeërs de scheepvaart op de Atlantische Oceaan onmogelijk te maken en op die manier de Britse aanvoerlijnen vanuit de Verenigde Staten af te snijden. Hoewel de onderzeeërs in de eerste jaren een ernstige bedreiging vormden voor de Geallieerde scheepvaart in het algemeen, en de aanvoer naar Groot-Brittannië in het bijzonder, werd deze uitputtingsslag door de samenloop van een aantal factoren vanaf 1943 beslecht in het voordeel van de geallieerden: er kwamen meer technische mogelijkheden om onderzeeërs op te sporen en te vernietigen, de Enigmacodes werden gekraakt, en bovenal werd het productief vermogen van de Verenigde Staten groter dan de vernietigingskracht van de Duitsers.

Afrika en de Middellandse Zee

Meer dan 200.000 Italiaanse troepen vielen op 13 september 1940 Egypte binnen waardoor de asmogendheden controle dreigden te krijgen over het Suezkanaal, en dus over de Arabische olievelden en de toegangsweg naar Brits-Indië. Ondanks hun numerieke overwicht leden zij al snel ernstige verliezen en weer moesten de Duitsers Mussolini’s mannen te hulp schieten, hoewel zij eigenlijk hun aandacht op 'Lebensraum' in Oost-Europa wilden richten. Het relatief kleine Afrikakorps dreef met twee Pantserdivisies de Britten terug tot Tobroek en na de Slag bij Gazala werd deze stad ingenomen. Onder Montgomery slaagden de Britten er alsnog in de troepen van Rommel in 1942 bij El Alamein te verslaan. Daarna zouden de Britse en Amerikaanse troepen, die inmiddels ook in Algerije en Marokko geland waren (operatie Toorts), de Duitsers uit Noord-Afrika drijven. In mei 1943 gaven de laatste Duitsers en Italianen zich in Tunesië over.

De Balkan

Albanië was reeds in april 1939 door de Italianen bezet en Mussolini, geïrriteerd door de Duitse successen, liet op 28 oktober 1940 zijn troepen Griekenland binnenvallen. Hoewel het Griekse leger geen noemenswaardige luchtmacht had en slecht was voorbereid bleken de Italianen niet tot veel in staat. De Italiaanse strijdkrachten beschikten wel over aanvalsvliegtuigen, maar deze konden door de slechte weersomstandigheden niet worden ingezet. Ook was het moeilijk begaanbare terrein in het voordeel van de verdedigers. Het Griekse tegenoffensief van 14 november 1940 wierp de Italianen vervolgens ver terug tot over de grenzen van het reeds bezette Albanië. Britse troepen landden op Kreta en verleenden de Grieken luchtsteun, waarmee voor Duitsland een ernstige bedreiging ontstond. De Britten waren nu namelijk in staat vanuit Griekenland de Roemeense olievelden te bombarderen en zo de Duitse brandstofvoorziening in gevaar te brengen.

Op de Balkan hadden de meeste landen inmiddels hun posities bepaald. Hongarije, Roemenië, en Bulgarije hadden zich bij de As aangesloten, terwijl op 27 maart 1941 een staatsgreep in Joegoslavië een bewind aan de macht bracht dat gekant was tegen de asmogendheden, waarmee een bedreiging vanuit de Balkan ontstond. De Duitse troepen vielen daarom op 6 april 1941 van alle kanten Joegoslavië binnen. De inmiddels ervaren Wehrmacht overmeesterde het land in elf dagen, geholpen door de onbeholpen strategie van de Joegoslaven die overal stand wilden houden, waardoor de verdediging volledig werd versnipperd. Tegelijkertijd waren de Duitse strijdkrachten Griekenland vanuit Bulgarije binnengedrongen. De gecombineerde Grieks-Britse defensie was in geen enkel opzicht opgewassen tegen de numeriek grotere en zwaarder bewapende overmacht. Op 27 april 1941 viel Athene, waarna de As de Balkan beheerste en haar flank veilig had gesteld.

Het oostfront

Duits plan voor Operatie Barbarossa
Stalingrad 1943

De strijd aan het oostfront was het kernconflict van de oorlog in Europa, waar de twee grootste Europese mogendheden het verloop van de oorlog grotendeels bepaalden. Het vloeide voort uit de ideologisch geïnspireerde expansiedrang van het nationaalsocialisme. De oorlog aan dit front was geen gewone imperialistische strijd om grondgebied of grondstoffen maar een existentiële worsteling op leven en dood, en werd door beide zijden ook zo ervaren. Toen in juli 1941 de oorlog gewonnen leek voor Duitsland, stelde Hitler daarom dat zowel de Russische krijgsgevangenen als de gewone bevolking moesten worden doodgehongerd. Mede hierdoor vielen in het Oosten de meeste slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog. Meer dan 21 miljoen Russen en Polen lieten het leven: 20 procent van het Poolse volk en 10 procent van de Russische bevolking.

Op 22 juni 1941 vielen meer dan 3 miljoen Duitse soldaten, bewapend met 3580 tanks, 7184 kanonnen en 2740 vliegtuigen de Sovjet-Unie binnen (Operatie Barbarossa). Hoewel het veel grotere Rode leger in totaal beschikte over bijna zes miljoen soldaten, 25.700 tanks en 18.700 vliegtuigen ontbeerde het de ervaring, training, mobiliteit en slagvaardigheid van de Wehrmacht. De Russische vliegtuigen waren merendeels verouderd en de troepen niet voorbereid. Hitler zat er niet heel ver naast toen hij vooraf zei: “we hoeven slechts de deur in te trappen en de hele verrotte boel stort in”. Incompetentie en tekortschietende logistieke ondersteuning completeerden het beeld. De slechte leiding van het leger was in belangrijke mate toe te schrijven aan de grootschalige zuiveringen die Stalin eind jaren dertig o.a. in de legertop had doorgevoerd, waarschijnlijk nog aangewakkerd door activiteiten van de Duitse inlichtingendienst.

Drie Duitse legergroepen drongen diep in Rusland door. Een Noordelijke aanvalsgolf richting Leningrad en de Baltische staten, een Zuidelijke naar de olievelden in de Kaukasus en de middelste moest Moskou veroveren. De Duitsers wilden voor oktober 1941 alle gebieden ten Westen van de Wolga bezetten om de herfstmodder te vermijden. De Sovjets probeerden hun tegenstanders te pareren door een vruchteloze poging de Duitse moderne bewegingsoorlog te imiteren. Hele legers en pantserkorpsen werden door de Duitsers tegelijk omsingeld en vernietigd. In juli 1941 leek het erop dat Duitsland de oorlog had gewonnen en de Sovjet-Unie had verslagen. Door de enorme omvang van het Rode leger konden echter steeds nieuwe troepen worden aangevoerd. De Wehrmacht bereikte weliswaar Leningrad, Moskou en Rostov, maar stagneerde in de herfstblubber, vroor vast in de Russische winter en werd geplaagd door inmiddels te lange aanvoerlijnen. Het eerste echte Russische tegenoffensief van december 1941 wierp legergroep Midden meer dan 100 kilometer terug.

Het Duitse leger bleek vervolgens in de zomer van 1942 niet in staat op alle punten aan te vallen, maar behaalde aan het Zuidelijke front nogmaals spectaculaire successen. Sebastopol, Voronezj en een aantal olievelden in de Kaukasus werden veroverd. Het definitieve keerpunt ten gunste van het Rode Leger resulteerde uit Hitlers obsessie om Stalingrad te veroveren. Het zesde leger van Von Paulus marcheerde vanaf juli 1942 op richting Stalingrad, dat in een ruïnelandschap werd veranderd, maar slaagde er net niet in om het geheel te veroveren. Hierdoor waren de flanken echter uitermate zwak geworden, en met een grootscheeps tegenoffensief in november omsingelden de Sovjets het gehele 6e leger van zo'n 300.000 man, waarna het met totaal onvoldoende bevoorrading door de lucht gedoemd was. Op 2 februari 1943 gaven ca. 90.000 uitgehongerde en uitgeputte overlevenden zich over. Het daarop volgende Russische tegenoffensief werd pas honderden kilometers ten westen van Stalingrad tot staan gebracht. De Duitsers wisten tussen februari en maart 1943 zowaar Charkov te heroveren. Het was echter duidelijk dat de kwaliteit van het Rode Leger langzaam verbeterde. De Slag om Koersk in juli 1943 was de laatste grote aanval van de Duitsers en is nog steeds de grootste tankslag uit de geschiedenis. De Russen wisten echter ook hier de Duitsers te weerstaan. De Duitsers waren na Koersk niet meer in staat het initiatief te herwinnen, maar zij konden nog wel een tamelijk succesvolle defensieve strijd leveren en het zou dan ook nog bijna twee jaar duren voordat de Russen in Berlijn stonden. In de zomer van 1944 lanceerden zij operatie Bagration, die de Duitse legergroep Midden praktisch vernietigde, legergroep Noord afsneed van het moederland, en hun legers tot de poorten van Warschau bracht.

In maart 1945 lanceerden de Duitsers hun laatste grote offensief van de oorlog, nabij het Balatonmeer in Hongarije. Zij wisten wel zware verliezen toe te brengen, maar door de enorme Sovjet-Russische overmacht werden geen van de doelstellingen behaald. Bovendien werden hiervoor reserves ingezet die daardoor niet meer beschikbaar waren om de Sovjet-aanval vanuit Polen op Berlijn tegen te houden. De innames van Wenen en Praag luidden de laatste grote slag van de oorlog in: de Slag om Berlijn, de slag die het einde van de oorlog in Europa betekende.

Het westelijk front van 1943 tot het einde

De geallieerden landden op 10 juli 1943 op Sicilië, wat in diezelfde maand leidde tot de val van de Italiaanse dictator Benito Mussolini, waarna de regering Badoglio heimelijk ging onderhandelen met de geallieerden. Op 3 september 1943 werd de Straat van Messina overgestoken, waarop de Italiaanse regering zich overgaf en de zijde van de geallieerden koos. De Duitse strijdkrachten waren aldus een bezettingsleger geworden en gedroegen zich daar ook naar. Zij wisten zich bijzonder hardnekkig te verzetten bij de geallieerde landingen in Anzio, Salerno en vooral in de slag om Monte Cassino. Niettemin werd op 4 juni 1944 Rome bevrijd. Na de invasie in Normandië op 6 juni werd het Italiaanse front tot een zijtoneel gedegradeerd, hoewel de strijd om Noord-Italië met lagere intensiteit zou voortduren tot mei 1945.

Aanvalsroutes 6 juni 1944

Dwangarbeiders hadden aan de Westkust van het bezette Europa van Noorwegen tot aan de Spaanse grens meer dan 8.000 bunkers aangelegd maar deze verdedigingslinie had weinig diepte. Daarom voorspelde maarschalk Erwin Rommel dat de eerste 24 uur na de landing in Frankrijk beslissend zouden zijn; als de geallieerden die eerste dag niet werden teruggeslagen, dan zou de Duitse strijd verloren zijn. In de ochtend van 6 juni 1944 werden de Duitsers geconfronteerd met de grootste gecombineerde amfibische en luchtlandingsoperatie in de geschiedenis: meer dan 6.000 schepen (waaronder 4.000 landingsvaartuigen, 7 slagschepen, 23 kruisers, en meer dan 100 jagers), 7.000 bommenwerpers en 5.000 jachtvliegtuigen. De Duitsers hadden aan het westfront ongeveer 170 vliegtuigen tot hun beschikking. Binnen een dag was een bres geslagen in de Atlantik wall en was een bruggenhoofd gevormd (operatie Overlord). De verliezen op die eerste dag waren aanzienlijk, maar niet rampzalig. De eerste twee maanden waren heel moeilijk voor de invasietroepen, ondanks hun numerieke en materiële overwicht, omdat het Normandische 'bocage' landschap de verdedigers veel dekking bood. De kwaliteit van de Duitse tanks was veel beter dan die van de Amerikaanse en de Britse, maar de vele innovaties op andere gebieden en het numerieke overwicht en de beheersing van het luchtruim van de geallieerden bleken doorslaggevend. Vanaf 23 juli 1944 lukte het de geallieerde troepen uit te breken (operatie Cobra). Parijs werd bevrijd op 25 augustus 1944; tegen die tijd waren er aan het westelijk front aan beide zijden wel honderdduizenden soldaten gedood of gewond en waren Normandische steden als Caen en Saint-Lô volledig verwoest.

Na de catastrofe in Normandië leken de Duitsers zelfs sneller terug te trekken dan de geallieerden met hun logistieke problemen konden oprukken. Desondanks mislukte Operatie Market Garden, een geallieerde poging in september 1944 om met een combinatie van oprukkende tanks en luchtlandingen vanuit België een aantal Nederlandse kanalen en rivieren over te steken en daarmee vitale punten tot en met de Rijnbrug in Arnhem te veroveren. De Ardennen en de Siegfriedlinie langs de Franse-Duitse grens zouden zodoende vermeden kunnen worden, waarna doorgestoten zou kunnen worden naar het industriële hart van Duitsland, het Ruhrgebied. De oorlog had dan 'met Kerstmis voorbij kunnen zijn'. De Rijnbrug in Arnhem bleek een brug te ver, door zowel onverwacht felle Duitse tegenstand nabij Arnhem als door fatale strategische en communicatieve fouten van de geallieerden. In december 1944 poogden de Duitsers in hun Ardennenoffensief tevergeefs een 'Wunder im Westen' te forceren; dit leverde aan beide zijden wel zware verliezen, maar verder slechts een tijdelijke vertraging van de geallieerde opmars op. In maart 1945 staken geallieerde troepen bij Wesel de Rijn over (operatie Plunder). Daarna ging het betrekkelijk snel; de uitgeputte Duitsers onderkenden de zinloosheid van verder verzet en bleken bovendien, als ze moesten kiezen, liever door de westelijke geallieerden onder de voet te worden gelopen dan door het Rode Leger. Hitler vaardigde nog wel de 'Nero-decreten' uit, die neerkwamen op een soort verschroeide aarde-tactiek, maar die werden nauwelijks opgevolgd. Amerikanen en Russen schudden elkaar de hand aan de Elbe op 25 april 1945, waarna Hitler, eindelijk beseffende dat alles verloren was, in zijn Berlijnse bunker op 30 april 1945 zelfmoord pleegde. Op 1 mei 1945 maakte de Duitse radio bekend dat de Führer aan het hoofd van zijn troepen bij de verdediging van Berlijn was gesneuveld. Met deze laatste leugen ging nazi-Duitsland ten onder. De overgave werd getekend op 7 mei 1945.

Economische vergelijking

Het verloop van bovenstaande kan pas goed begrepen worden als de omvang van de oorlogseconomieën tegen elkaar afgezet wordt. Dit kan misschien het beste door de vliegtuigproductie met elkaar te vergelijken (voor de kanonnen, tanks, vrachtwagens en schepen geldt ongeveer hetzelfde). Hoewel de technische kwaliteit van de Duitse vliegtuigen, tanks etc. vaak superieur was aan die van de geallieerden gaven de steeds grotere productiecapaciteit van deze laatsten uiteindelijk de doorslag. Bovendien werd ook het geallieerde oorlogsmateriaal technisch gezien steeds beter van kwaliteit gedurende de oorlog.

Jaar 1939 1940 1941 1942 1943 1944
Duitse vliegtuigproductie 8.300 10.800 11.400 15.300 25.100 39.300
Sovjet vliegtuigproductie 10.400 10.600 15.700 25.400 34.800 40.250

Deze productie verschillen betekende slecht nieuws voor het Derde Rijk maar het wordt pas echt hopeloos als wij de totale vliegtuigproductie van de asmogendheden vergelijken met de totale vliegtuigproductie van de geallieerden.

Jaar 1940 1941 1942 1943 1944
Totale vliegtuigproductie asmogendheden 18.900 20.000 27.000 42.500 67.500
Totale vliegtuigproductie geallieerden 38.400 62.100 96.900 147.000 163.000

De oorlog in Azië

Japan in de eerste helft van de 20e eeuw

Japan moderniseerde radicaal tijdens de Meijiperiode in de tweede helft van de 19e eeuw. Deze nieuwe industriële grootmacht ontbrak het echter aan natuurlijke hulpbronnen, hetgeen leidde tot de decennia durende Japanse imperialistische politiek tot verovering en beheersing van buurlanden om de aanvoer van grondstoffen en voedsel veilig te stellen. De Eerste Chinees-Japanse Oorlog (1894-1895) en de Russisch-Japanse Oorlog (1904-1905) leidden tot de Japanse beheersing van Taiwan in het zuiden, Korea en Mantsjoerije in het westen en Zuid-Sachalin in het noorden. De Japanse imperialistische drang werd nieuw leven ingeblazen door de mondiale economische crisis die ontstond na 1929.

De tweede Chinees-Japanse oorlog

In de jaren twintig fragmenteerde het centrale gezag in China onder een aantal krijgsheren. Japan was hierdoor in staat invloed te verwerven en ongelijke verdragen af te sluiten met wat er aan centraal gezag restte. Deze situatie was inherent instabiel: wanneer China verder uiteenviel, kon het de verdragen niet meer nakomen; wanneer het centrale gezag sterker werd, had ze geen belang meer bij deze verdragen. In 1927 leidde Chiang Kai-shek en de Kwomintang de Noordelijke Expeditie. Chiang was in staat de krijgsheren in Zuid- en Midden-China zijn gezag te laten erkennen, en was bezig de krijgsheren in Noord-China formeel aan zijn gezag te binden. Uit vrees dat Zhang Xue-liang (de krijgsheer die Mantsjoerije controleerde) zijn trouw aan Chiang zou verklaren, intervenieerden de Japanners en plaatsten in 1931 een marionettenregering in hun satellietstaat Mantsjoekwo met aan het hoofd ervan de laatste Chinese keizer Pu Yi. In de jaren dertig werd militair geweld als instrument van koloniale macht echter door de internationale gemeenschap niet meer als politiek correct gezien. Japan trok zich terug uit de Volkerenbond. Er ontstond een patstelling toen Chiang zijn inspanningen ging richten op het uitschakelen van de communisten. Chiang beschouwde dit als een groter gevaar dan de Japanners. Deze houding werd binnen China door het sterke nationalisme in alle lagen van de bevolking steeds meer als onhoudbaar gezien. In 1937 werd Chiang ontvoerd door Zhang Xue-liang tijdens het zogenaamde Xian Incident. Als voorwaarde voor zijn vrijlating beloofde Chiang samen met de communisten tegen de Japanners te vechten. Als antwoord hierop zetten officieren van het Kwantung-leger zonder overleg met het Japanse opperbevel het Marco Polobrug-incident in elkaar, waardoor de tweede Chinees-Japanse oorlog formeel een feit werd. Deze oorlog ging gepaard met ongekende wreedheden, zoals het beruchte bloedbad van Nanking waar de Japanners naar schatting 300.000 Chinezen hebben vermoord.

De weg naar Pearl Harbor

In 1938 raakte Japan slaags met Mongolië en de Sovjet-Unie, maar deze landen behaalden onder generaal Zjoekov een overwinning op de Japanners in de Slag bij Halhin Gol, waardoor Japanse uitbreiding naar het noorden verhinderd werd en beide partijen zich achter de vooroorlogse grenzen terugtrokken. Door deze slag werd het accent van de Noordelijke Aanvalsgroep, die het Japanse Leger voorstond, verplaatst naar de Zuidelijke Aanvalsgroep, die de Japanse Marine, de eeuwige rivaal van het leger, prefereerde. In 1940 tekende Japan met Duitsland en Italië het Driemogendhedenpact, dat wederzijdse hulp beloofde bij een eventuele aanval. Vichy-Frankrijk werd door Japan en Duitsland gedwongen Indochina af te staan. Om de Japanse oorlogsinspanning te belemmeren, stelden de Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk en de Nederlandse regering in ballingschap die nog steeds de oliebronnen in Nederlands-Indië controleerde, een olie- en staalboycot tegen Japan in. Japan zag dit als een daad van agressie omdat het deze stoffen voor haar oorlogvoering nodig had. Dit leidde tot het plan van Japanse militairen onder leiding van admiraal Isoroku Yamamoto om de Verenigde Staten de Grote Oceaan uit te verdrijven. Aangezien de koloniale mogendheden Nederland en Engeland in Europa hun handen vol hadden, zouden de Japanners daarna de regionale heerschappij kunnen opeisen.

Volgens veel historici was de oorlog voor Japan echter al verloren op het moment dat zij de Verenigde Staten aanvielen. Japan had wel een behoorlijk ontwikkelde industrie, maar zeer weinig grondstoffen (zo importeerde Japan 90% van haar olie), terwijl de VS een drie keer zo grote bevolking had en de grootste economie ter wereld was, met een sterk ontwikkelde industrie en met veel vitale grondstoffen. Japan zou een uitputtingsoorlog ongetwijfeld verliezen. De reden waarom de Japanners toch voor de aanval kozen was gebaseerd op een wanhopige afweging: Japan zou door de grondstoffen- en olieboycot van de VS en de andere geallieerden alleen maar verzwakken en dus na verloop van tijd vanzelf economisch en militair ineenstorten. Om dit te voorkomen wilde men de olievelden in Zuidoost-Azië, waaronder Nederlands-Indië, veroveren en de VS door een vernietigende aanval bij Pearl Harbour demotiveren en uit de oorlog houden (hoewel dit laatste onwaarschijnlijk was). Hoewel een oorlog tegen de VS een minimale kans van slagen had, was deze kans altijd nog groter dan wanneer Japan passief afwachtte tot men door grondstoffentekort en diplomatieke druk haar hele Imperium zou moeten opgeven.[1]

Het Japanse offensief

Met de bovengenoemde afweging in het achterhoofd, viel Japan op 7 december 1941 Thailand, Maleisië (Malakka), de Filipijnen en de Amerikaanse marinebasis Pearl Harbor op Hawaï aan. Vier dagen later verklaarde Duitsland de oorlog aan de Verenigde Staten: enerzijds omdat Japan nu eenmaal een As-mogendheid was en Duitsland daar door het Driemogendhedenpact toe verplicht was, anderzijds omdat Hitler daarmee de mogelijkheid kreeg om de Amerikaanse bevoorrading van de Britten en de Russen tegen te gaan. Tot dat moment hadden de Verenigde Staten zich officieel buiten de oorlog in Europa gehouden, hoewel het binnen het kader van de voorzichtige anti-Duitse politiek van Franklin Delano Roosevelt wel materiële militaire steun verleende aan het Verenigd Koninkrijk en de Sovjet-Unie door het Leen en Pachtprogramma.

De geallieerde strijdkrachten in Azië bleken aanvankelijk niet opgewassen tegen de Japanse, en leden een duizelingwekkende serie nederlagen. Het Britse slagschip Prince of Wales en de slagkruiser Repulse werden op 10 december voor de kust van Maleisië tot zinken gebracht. Hongkong viel op 25 december, en de Britse marinebasis Singapore op 15 februari 1942. De Britse rol in Oost-Azië leek daarmee uitgespeeld. Ook de Amerikaanse bases op de eilandjes Guam en Wake gingen verloren. In januari volgden de Japanse invasies in Birma, de Salomonseilanden, Nederlands-Indië en Nieuw-Guinea. Manilla, Kuala Lumpur en Rabaul werden door Japan veroverd. De Japanse veroveringsmachine draaide in snel tempo verder: Bali en Timor vielen in februari 1942; Rangoon en Java in maart. Mandalay volgde begin mei. De Japanse luchtmacht vernietigde de Britse en Amerikaanse luchtstrijdkrachten in Zuidoost-Azië en voerde bombardementen uit op Noord-Australië. De Britse vloot werd (tijdelijk) uit Sri Lanka verdreven.

De omkeer

De geallieerde weerstand nam een half jaar na de aanval op Pearl Harbour serieus toe. De Doolittle Raid in april 1942 (een aanval van een handjevol bommenwerpers op het Japanse vasteland) was al een symbolische maar moreel belangrijke luchtaanval op Japan. Belangrijker was dat een amfibische aanval op Port Moresby, in het oosten van Nieuw-Guinea, werd voorkomen door de Slag in de Koraalzee in mei 1942, al was dit een Amerikaanse tactische nederlaag.
Brandende Hiryu 4 juni 1942

De Slag bij Midway was het keerpunt in de oorlog in Azië. In deze atol in de Stille Oceaan behaalden de Amerikanen een overtuigende overwinning waarvan de Japanse marine zich niet zou herstellen. De Japanners hadden bovendien nog eens 150 ondersteunende schepen tegen 50 Amerikaanse. Doordat op Midway zelf echter 127 gevechtsvliegtuigen waren gestationeerd, beschikten de Amerikanen over meer dan 350 vliegtuigen terwijl de Japanners 248 toestellen hadden. Toen op 7 juni 1942 na 4 dagen strijd de balans werd opgemaakt waren de 4 Japanse vliegdekschepen samen met al hun vliegtuigen vernietigd, tegen het relatief geringe verlies van de USS Yorktown en ongeveer 100 vliegtuigen aan Amerikaanse zijde. Het is niet moeilijk dit verlies in perspectief te plaatsen: het zou Japan bijna 3 jaar kosten deze 4 schepen te vervangen, in dezelfde periode produceerde de Amerikaanse industrie meer dan 24 vliegdekschepen!

Salomonseilanden

Te land vertraagde de terugtocht van de Brits/Indiase strijdkrachten in Birma. Australische eenheden in Nieuw-Guinea verdedigden met succes Port Moresby langs de Kokoda Track, toen de Japanners trachtten vanaf de noordkust op te marcheren. In augustus 1942 mislukte voor het eerst een Japanse landing, bij de (mini)slag om de baai van Milne. Terzelfder tijd probeerden zowel Amerikaanse als Japanse soldaten het eiland Guadalcanal, één van de Salomonseilanden, te bezetten. In deze zes maanden durende uitputtingsslag, waarin meer dan 40.000 mensen het leven lieten en die deel uitmaakte van de veel grotere slag om de Salomonseilanden, behaalden de Verenigde Staten uiteindelijk de overwinning. Hierna werd Japan definitief in het defensief gedrongen. De constante noodzaak om versterkingen naar Guadalcanal te zenden verzwakte de Japanse inspanningen op andere plaatsen. Dit leidde tot de herovering van de bruggehoofden Buna en Gona op Nieuw-Guinea door Australische en Amerikaanse strijdkrachten in 1943 en bereidde de weg voor zowel MacArthur's landroute door Nieuw-Guinea en Nimitz's 'island hopping'- (of leapfrogging-)campagne over de Stille Oceaan.

Het einde

USS Bunker Hill geraakt door Kamikazes 11 mei 1945

De geallieerden dreven de Japanners vanaf 1943 steeds verder terug. Het werd een uitputtingsslag die de Japanners altijd hadden willen voorkomen, want het industriële, demografische en dus ook het militaire potentieel van de Verenigde Staten waren vele malen groter dan dat van Japan. Dit leidde op 19 oktober 1944 tot oprichting van Japanse zelfmoordeenheden: de Kamikazes. Piloten met weinig training (en die daar ook weinig van nodig hadden), moesten hun met explosieven volgepropte kleine vliegtuigen in vijandelijke schepen boren en zo de vijand vernietigen. Op deze manier zouden uiteindelijk rond de 2.800 zelfmoordpiloten ongeveer 1 op de 7 keer een doel treffen en ongeveer 40 schepen tot zinken brengen. Japanse infanteristen voerden om hun eer te redden trouwens ook wel zgn. 'Banzai'-aanvallen uit, waarbij de kans op sneuvelen vrijwel 100% was. Waar het om ging was de Amerikanen zoveel mogelijk verliezen toe te brengen, zodat ze het zouden opgeven.

landingsvaartuigen naderen Iwo Jima 1944

Begin 1945 veroverden de Amerikanen eilanden Iwo Jima (februari-maart) en Okinawa (april-juni), die door de Japanners als 'heilig' eigen grondgebied werden beschouwd en dus zo mogelijk nog fanatieker verdedigd werden dan de recent veroverde buitengebieden. De aantallen slachtoffers waren dan ook huiveringwekkend, vooral naar Amerikaanse begrippen: meer dan 20.000 Amerikaanse doden en meer dan 130.000 Japanse. Op Iwo Jima was geen burgerbevolking, maar op Okinawa werden door de militairen heel wat burgers gedwongen of overreed zelfmoord te plegen om de schande van gevangenneming, of anders wel de gevreesde mishandeling en verkrachting door de Amerikanen, te voorkomen. De aantallen gewonden waren nog groter. Op 10 maart 1945 vond de ergste van de vele conventionele bombardementen op Tokio en vele andere steden plaats: bijna 84.000 doden en een onbekend aantal gewonden, dus veel erger dan dat op enige Duitse stad in de Tweede Wereldoorlog.

Nagasaki 1945

De Japanse militaire strategische situatie was in juli 1945 hopeloos. Bovendien werd hun infrastructuur stelselmatig vernietigd door de niet aflatende Amerikaanse bombardementen, en werd de bevoorrading van overzee effectief onmogelijk gemaakt door Amerikaanse en Britse onderzeeboten. Slagschepen zoals de USS Missouri konden bovendien in kustgebieden nog nauwkeuriger en grootschaliger dan bommenwerpers verwoestingen aanrichten. Desondanks wekten de Japanse militairen niet de indruk dat zij spoedig zouden capituleren. Zij speculeerden nog steeds op de Amerikaanse onwil om al te zware verliezen te lijden, zodat Japan de vernedering van een verovering van het eigen grondgebied bespaard zou blijven. Hierop besloot Truman tot inzet van het atoomwapen. Amerikaanse bommenwerpers vernietigden op zes augustus 1945 Hiroshima en op negen augustus 1945 Nagasaki. De vernietigingskracht van twee atoombommen was zo groot dat daarbij in totaal ongeveer 165.000 mensen stierven en in de weken erna nog eens rond de 145.000. Het Russische leger viel vervolgens op negen augustus 1945 Mantsjoerije binnen (waar tot 2 september zou worden doorgevochten) en veroverde Zuid-Sachalin en de Koerilen (Operatie Augustusstorm). Deze gebieden zijn sindsdien in (Sovjet-)Russische handden gebleven, waar Japan zich nooit bij heeft neergelegd. Deze nieuwe escalatie van de oorlog droeg bij aan het besluit van keizer Hirohito op 15 augustus tot capitulatie aan de westerse geallieerden, die werd getekend op 2 september 1945 op het slagschip Missouri. In de hierop volgende periode vestigde generaal MacArthur bases in Japan, waarna de Amerikanen de naoorlogse ontwikkeling van Japan vorm gingen geven. President Harry Truman verklaarde officieel op 31 december 1946 de beëindiging van de vijandelijkheden.

Algemeen

Vervolging en vernietiging

Zwaar ondervoede Joodse gevangenen in Buchenwald, bij hun bevrijding op 16 april 1945

Er zijn naar schatting elf miljoen mensen systematisch vermoord, het grootste gedeelte in de concentratie- en vernietigingskampen, die als een grootschalige en efficiënte industrie gerund werden. De ongelukkigen die in de ogen van de nazi’s inferieur en parasitair waren moesten letterlijk worden uitgeroeid. Tijdens de Holocaust werden tussen de vijf en zes miljoen Joden vermoord, voornamelijk in concentratie- en vernietigingskampen. Naast de Joden werden er ongeveer vijf miljoenen zigeuners, krijgsgevangenen, Slaven, gehandicapten, verzetsstrijders, Jehova's getuigen, homoseksuelen en dissidenten vermoord. Er werden door de Duitsers diverse methoden toegepast om de Untermenschen te vermoorden, waarvan de gaskamers de bekendste zijn.

De burgerbevolking en de bombardementen

Hamburg 1945

De strijdende partijen bombardeerden de civiele bevolking bewust. De Japanners voerden terreuraanvallen uit op onder andere Shanghai, Wuhan, Nanking en Kanton. In Europa werden onder andere Warschau, Rotterdam, Londen en Coventry bestookt. Het zou echter vooral door de geallieerden worden gebruikt in een poging de tegenstander op de knieën te krijgen. De voortdurende bommenregen op Duitsland en Japan had twee strategische doelen: vernietiging van de oorlogsindustrie en aantasting van het moreel. De techniek om bommen te richten was echter dermate primitief dat de oorlogsindustrie alleen kon worden aangetast als enorme oppervlakten werden bestookt waarbij veel burgerslachtoffers vielen. Bovendien wisten de Duitsers een belangrijk deel van de oorlogsindustrie onder te brengen in ondergrondse fabrieken: tot op het laatst van de strijd konden de nazi's zodoende nog een verbazingwekkende productiecapaciteit aan oorlogsmaterieel handhaven. In Duitsland werden steden als Hamburg, Keulen, Berlijn, Dresden zwaar beschadigd met in totaal 1,5 miljoen doden en gewonden. In Japan werden 67 steden met overwegend houten huizen vrijwel weggevaagd door brandbommen. Dit resulteerde in vijfhonderdduizend doden en vijf miljoen daklozen. In de frontzone van de Sovjet-Unie hadden de burgers het erg zwaar. De Duitsers hadden weinig respect voor het leven van het veroverde volk, dat zij als untermenschen beschouwden; en hun eigen regering beschouwde hun overleven als secundair aan het behalen van de overwinning. Als gevolg hiervan kwamen er in totaal ongeveer 20 miljoen Sovjet-burgers om het leven aan oorlogsgeweld, terreur, honger, ziekte, en andere ontberingen. Ook de Franse burgers leden tijdens de oorlog grote verliezen. In totaal kwamen in Frankrijk 70.000 burgers om het leven door geallieerde acties, grotendeels bombardementen. Een groot deel van hen, 19.890 doden en een veel groter aantal gewonden, werd slachtoffer tijdens de bevrijding van Normandië.[2] Dat aantal komt bovenop de 15.000 Franse doden en 19.000 gewonenden tijdens de voorbereidende bombardementen voor Operatie Overlord in de eerste vijf maanden van 1944.[2] In totaal kwamen meer Franse burgers door geallieerde acties om het leven, dan dat er Britse burgers door de Duitse bombardementen werden gedood.

In augustus 1945 werden tenslotte ook nucleaire wapens tegen de burgerbevolking ingezet.

Historische betekenis en balans

Mens en materieel.

  • Europa en Japan lagen in puin, meer dan vijftig miljoen mensen waren dood. De Verenigde Staten, welvarend en ongeschonden, steunden de niet-communistische landen met miljarden dollars (Marshallplan) en mede hierdoor wisten zowel de Japanners als de Europeanen zich economisch snel uit het moeras te werken. In de door de Sovjet-Unie gedomineerde landen liep het anders: zij kregen in plaats van kredieten een communistisch economisch model opgelegd waardoor tot op heden de West-Europeanen rijker zijn dan de Oost-Europeanen.

Geopolitieke gevolgen.

Geallieerde oorlogsleiders in Jalta 1945
  • De wereld van 1939 kende 6 grote regionale machten: het opkomende Verenigde Staten, de Communistische Sovjet-Unie, het nationaalsocialistische Duitsland, het Keizerlijke Japan en het koloniale Groot-Brittannië en Frankrijk. Deze wereld was weg. De naoorlogse periode werd gekenmerkt door de rivaliteit tussen twee resterende supermachten: de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie.
  • De opkomst van de twee grootmachten ging hand in hand met de ingekrompen macht en positie van de drie andere landen. Japan en Duitsland hadden de oorlog verloren en daarom was hun politieke en militaire mondiale rol voorlopig uitgespeeld. Duitsland verdween in 1949 als staatkundige eenheid van de kaart en dit zou tot 1990 zo blijven (zie ook West-Duitsland, Oost-Duitsland en Duitse hereniging). Verbazingwekkender was het snelle einde van het Britse Imperium. De Japanners hadden de nationalistische sentimenten in het Verre Oosten flink opgezweept om steun te krijgen bij hun strijd tegen de Westelijke mogendheden. Deze geest was uit de fles en zou niet meer terugkruipen. Bovendien hadden de Engelsen het grootste deel van hun financiële reserves uitgeput om wapens en voorraden te kopen in de Verenigde Staten, die zij met schuldpapier betaald hadden dat hen nog decennia lang zou kosten om af te lossen. De Koloniale Rijken brokkelden in sneltreinvaart af, en na de Suezcrisis van 1956 moesten Frankrijk en Groot-Brittannië leren leven met de status van modale staat.
  • De staat Israël werd gesticht in het toenmalige gebied van de Palestijnen waardoor in dat deel van het Midden-Oosten voortdurend, en tot op heden gewapende conflicten oplaaien.
  • De verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog hebben met name op het Europese continent geleid tot geïntensiveerde internationale samenwerking. De Verenigde Naties, en mede door de Koude Oorlog de Europese Unie, kwamen hierdoor tot stand. Het succes van de Europese Unie met haar supranationale wetgeving, gemeenschappelijke munt en democratische waarden maakt in onze tijd een Europees conflict moeilijk denkbaar.

Technische en wetenschappelijke gevolgen.

  • Het conflict versnelde de wetenschappelijke en technologische kennis. Hierdoor heeft de mensheid eerder dan verwacht kennis gemaakt met penicilline, radar, nucleaire energie, geavanceerde raketten die de ruimte konden bereiken, straalvliegtuigen en de atoombom.
  • In Duitsland ontstond zeer kort na het einde van de Tweede Wereldoorlog of misschien al iets eerder een nieuwe literaire stroming, bekend als kaalslagliteratuur (Trümmerliteratur).

Literatuur

  • Norman Davies, Europa in oorlog, 2009, 543 p., Het Spectrum - Utrecht, ISBN 978-90-491-0005-6 (vertaling van Europe At War, 1939-1945: No Simple Victory, 2006)
  • Maarten van Rossem, De Tweede Wereldoorlog in 28.215 woorden, 2005, 96 p., Het Spectrum - Utrecht, ISBN 90-274-2107-2

Externe links

Bronnen:

  • Loe de Jong, Het koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog.
  • A.J.P. Taylor, Origins of the Second World War.
  • Gerhard L. Weinberg, A World at Arms: A Global History of World War II.
  • John Keegan, The Second World War.
  • Richard Overy, Why the Allies Won.

Noot:

  1. J.S. Nye jr., Understanding International Conflicts, An Introduction to Theory and History, Longman 2007, p. 106-108
  2. 2,0 2,1 Anthony Beevor, D-Day, Ambo, 2010, pag. 467

Schrijf mee!

Wilt u deze pagina bewerken, corrigeren of aanvullen?

Iedereen kan eenvoudig meeschrijven aan de theatergeschiedenis op de Theaterencyclopedie. Hiervoor moet u ingelogd zijn op uw eigen account. Door eenmalig te registreren maakt u een eigen account aan. Helpt u mee de Theaterencyclopedie compleet te maken?

Fondsen en Partners