Theo Mann-Bouwmeester: Volgens Theo Mann-Bouwmeester

Uit TheaterEncyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Logo eenlevenlangtheater2.jpg

Theo Mann-Bouwmeester, 1895. Fotograaf onbekend. Collectie TIN.


Eenlevenlangtheater Theo Mann-Bouwmeester:


Citaten van Theo Mann-Bouwmeester

Theo Mann-Bouwmeester heeft verschillende malen haar memoires opgeschreven, en natuurlijk verschenen ook boeken over haar. Hieronder enkele veelzeggende citaten.

Theo Mann-Bouwmeester thuis, 1914. Foto Bern. F. Eilers. Collectie TIN. Theo Mann-Bouwmeester met haar hondje. Foto: N.V. Vereenigde Fotobureaux. Collectie TIN.

De moederrol

"Die tijd, die maar niet stil staat! - Maar ik zou ondankbaar zijn, hierop door te gaan. Ik althans heb niet het recht om te klagen. Immers, onze rollen zijn van zoo grooten invloed op het gauwer "oud" worden; het gauwer zich "oud" gevoelen. Want wie de moederrollen spelen, hebben 't uit den aard van haar rol al zooveel gemakkelijker. De moederrol! Dat beteekent meestal een lieve, oude dame, die één, soms wel twee mooie japonnen draagt met een deftige kanten kraag; een grijze pruik en keurige schoenen. Dat beteekent verder: een rustige avond; véél zitten in de meeste gevallen; weinig beweeg. Al die omstandigheden dragen ertoe bij, dat de "moederrol" en dergelijke, waarbij weinig emotie wordt gewekt, ondanks zichzelve, wel wat gemakzuchtig moet worden."

Bron: Mijn Jeugd- en Tooneelherinneringen van Theo Mann-Bouwmeester (Amsterdam 1916)

Over haar kostuums

"Wàt ik bezat, besteedde ik aan toiletten en alles werd bij me thuis gemaakt. Hemel, wat was dat een tijd. Een tijd, waarin ik halve nachten opzat om te knippen. Ik kon niet slapen uit zorg voor mijn kostuums. Soms, midden in den nacht, sprong ik op en ging naar de kniptafel in de apart voor het maken van mijn japonnen ingerichte kamer. Dan teekende ik op die tafel met een krijtje of een potlood de modellen, die ik in mijn hoofd had en die ik gauw op de plank zette om ze toch vooral den volgenden dag niet weer kwijt te zijn. Want dàt is de hoofdzaak bij iedere actrice: coquet te zijn en elegant er uit te zien op het tooneel."

Bron: Mijn Jeugd- en Tooneelherinneringen van Theo Mann-Bouwmeester (Amsterdam 1916)

Over regisseurs

"In navolging van Duitschland is in de laatste vijftien jaren in ons land de waarde van den regisseur schromelijk overschat en wel zoo erg, dat hij alleen als kunstenaar door de pers au serieux genomen wordt - hij en zijn décors - met voorbijzien van de spelers. De regisseur moet weer worden, wat hij voor de spelers behoort te zijn: de man, die de door de spelers aangebrachte détails tot een groot geheel maakt, meer niet. Hij moet vertrouwen hebben in het talent van zijn spelers. Ik ga uit van wat voor mij vanzelf spreekt, dat een regisseur slechts met sterke spelers werken wil.

Maar hier in ons land heeft de pers het jaren lang doen voorkomen, alsof de bloei van ons tooneel van 'n enkelen man of enkele menschen afhing, dat was fout, de spelers mogen geen doode werktuigen zijn in handen van welken regisseur dan ook, die een alleen zaligmakend tooneelkunstenaar denkt te zijn. Zoo'n regisseur kan hinderlijk zijn voor een speler, die zijn rol begrijpt en spelen kan. Mijns inziens bepaalt de speler bij zijn rol-studie zijn mis-en-scène in overleg met den man op den voorgrond. Maar de meeste regisseurs zijn eigenwijs en veelal te ijdel om een fout te erkennen. Waarom schamen zij zich daarvoor? Vooral het type regisseur, dat zich voor "den door den hemel gezonden leider" houdt, is het, die slechte spelers en epigonen kweekt."

Bron: Mevrouw Theo Mann-Bouwmeester van Folkert Kramer (Amsterdam 1926)

Enkele sombere gedachten

"Tooneelspelers leven in ons land altijd op den rand van een krater. We weten het allen en we zijn er aan gewend. Ik heb bereikt, wat er in een land als het onze te bereiken valt en heb menschen met stopverftemperament duizenden avonden tot enthousiasme gebracht en dacht dan in m'n onschuld wel eens, dat zij werkelijk voor mij voelden. Maar menigmaal, na een première op het Plein in Amsterdam, verliet ik als laatste den artiestenuitgang, moe - afgejakkerd. - Je weet, hoe wij allemaal zijn, hè, na een eerste voorstelling. In je hoofd gonst het stuk nog na, je gaat het theater uit .... en je staat in den regen op de kleine steentjes van de donkere zijstraat, de pupillen van je oogen nog vergroot door het felle kunstlicht, waardoor ze op het tooneel verbranden. Dan - steek je den sleutel in je huisdeur en als je dan moe in een stoel zit - je straatkleeren nog aan - denk je wel eens "wat is er nu van over?" Niets. 'n Schilderij blijft. Wat was ik nu werkelijk voor die handen-klappenden menschen? - Niets!"

Bron: Mevrouw Theo Mann-Bouwmeester van Folkert Kramer (Amsterdam 1926)

Over Amsterdam

"Achteraf beschouwd was Amsterdam toen niet veel meer dan een ouderwetsche, vrij stille plaats met hobbelige keien en gootplanken in alle straten, vrouwen in jakken, mannen in boezeroenen, een heel stijf en ouderwetsch gekleede burgerij, geen café's of terrassen... ja toch, er waren een of twee café's, maar vraag niet hoe die waren ingericht: met zand op den vloer, enz., geen trams, alleen rolde af en toe een omnibus voorbij; wagens op sleden, waar de zoogenaamde smeerlap aan een touw bevestigd, door een man, die er naast liep, ondergeworpen werd om het ding gemakkelijker over de keien te laten glijden. Wat een stad! Een chic gekleed mensch was er zoo goed als vogelvrij, kiep tenminste de kans uitgejouwd te worden. Veel dronken menschen, maandaghouders, kortom, als ik nu alles goed bedenk, toch niet de ideaal-stad, zooals wij die toen zagen."

Bron: Mijn leven van Theo Mann-Bouwmeester (Amsterdam 1930)

Een wereld van verschil tussen rol en werkelijkheid

"Mijn fantasie plaatste mij soms op een hoogte, waaraan ik me krampachtig zou hebben willen vastklemmen. Stukken als de "Prinses van Bagdad", "Frou Frou", daarin speelde ik rollen, die geen majesteit vroegen, neen... ze konden alleen je heele innerlijk onderste boven gooien... je alle vrede met je bestaan rooven... je ontevreden maken over de weinige middelen, waarover je te beschikken had, omdat alles, waarvan in die rollen sprake was, eenvoudig niet te benaderen bleek voor een artiste. Ik waanhoopte er aan, dat ik die milieus en toestanden ooit van nabij zou kunnen zien... Vacantie bestond niet, de salarissen waren evenredig aan de gebrekkige straatverlichting en de algemeene achterlijke toestand van dien tijd. Wat had ik niet gegeven om het leven dáár in die landen van poëzie eens mee te mogen leven..."

Bron: Mijn leven van Theo Mann-Bouwmeester (Amsterdam 1930)

De Hollandsche taal als beperking

"Het was in die dagen, dat Sarah Bernhard haar groote triomfen vierde en voor het eerst in ons land gastvoorstellingen gaf. Het was in 1876 en menigen slapeloozen nacht bracht ik door, altijd maar denkend: "Zal die tijd voor mij dan nooit komen?" Men had me al zoo dikwijls gezegd, dat ik een groote toekomst had. Was het vleierij of waarheid? Waar en hoe moest ik dan een uitweg vinden? Mijn Hollandsche taal bracht me immers niet verder dan den Moerdijk. Ik was begrensd in mijn mogelijkheden door de taal, die ik toch zoo lief had, maar die mij ook het uitslaan van mijn vleugels totaal belette. Ik gevoelde me zeer ter neer geslagen. Een musicus of schilder wordt overaal begrepen, voor hen staat de geheele wereld open, terwijl ik voor mij geheele leven alleen op enkele Hollandsche Provincies zou aangewezen zijn?"

Bron: Mijn leven van Theo Mann-Bouwmeester (Amsterdam 1930)

De romantiek als beste leerschool

"Ah, die Romantiek... zij was de allerbeste leerschool, ook voor hen, die geen of gering talent bezaten. Zij was de grondslag voor het tooneelspel, van de oude Grieken tot den dag van heden. Zij eischte en leerde algeheele overgave, zonder reserve, zonder onnoodige ingetogenheid, het grootsche en breede gebaar, volkomen controle over de stem, over het uitzetten, inkrimpen en het vermijden van geforceerdheid, in een woord "de stem ten volle benutten". De leerschool der Romantiek maakte veelzijdig. Men leerde alle effecten berekenen tot in de kleinste details. Het was de volmaaktste school."

Bron: Mijn leven van Theo Mann-Bouwmeester (Amsterdam 1930)

Het belang van de stem

"Het is volstrekt niet noodig om luid te spreken, wijl men met natuurlijke stem, zonder overdrijving "modern" comedie kan spelen, daar beschaving nu eenmaal het zeer luid spreken verbiedt. Doch men dient het feit niet uit het oog te verliezen, dat men op het tooneel niet kan spreken alsof men bij zich thuis was. De tooneelspeler heeft met zijn stem een ruimte te overbruggen van ver achter het voetlicht tot aan het andere einde der zaal, en sprak hij zoo als men dat onder zijn eigen dak doet, dan zou het publiek er al bitter weinig aan hebben. Ook het gemaniëreerd spreken, vooral in een rol waarin sentiment moet worden uitgebeeld, is volkomen verwerpelijk. Men kan geen zuiver gevoel geven, als men zich niet natuurlijk uitdrukt."

Bron: Mijn leven van Theo Mann-Bouwmeester (Amsterdam 1930)

Aanbevelingen voor oprechte kunstenaars

"Een oprecht kunstenaar of kunstenares kan alleen dan goed werk leveren wanneer hij of zij over veel meer energie kan beschikken, dan een gewoon mensch in het dagelijksch leven noodig heeft, en alles wat ook maar eenigszins remmend daarop zou kunnen werken, is fnuikend voor het te behalen resultaat. Men moet zijn zenuwen volkomen de baas zijn, dus onder controle hebben, weten wat men wil, wat men doet, en niettegenstaande de trillingen van geweldige passie, wisselende emoties, woelende sentimenten, alle remmen vrijelijk kunnen aanzetten op elk gewild oogenblik. Vooral de stem moet men volkomen onder controle hebben en er steeds aan denken, dat zij een van de grootste attracties is."

Bron: Mijn leven van Theo Mann-Bouwmeester (Amsterdam 1930)

Voldoening

"Maar is het succes eenmaal gekomen, dan staat daartegenover het heerlijke gevoel van voldoening, dat je doorstraalt, de belooning voor al het doorstane leed, de kroon op het werk van al je moeilijk streven. Welk een genot, een mooie creatie te kunnen geven! O, dat zalige oogenblik, wanneer je collega's, die het goed meenen, na zoo'n creatie je de hand komen drukken, en de eigenaardige voldoening, als collega's, waarvan je weet, dat ze je minder goed gezind zijn, na een succes, je zwijgend uit de weg gaan. Humoristisch noemde ik dat altijd "'n stille hulde".

De aangename sensatie, wanneer mensen je opwachten, 's avonds na de voorstelling, aan de tooneeldeur, sommigen met bloemruikertjes of één enkel bloempje, met albums om je handteekening in te zetten. Thuis, briefjes van oud en jong, met complimentjes. Jonge meisjes, nauwelijk de kinderschoenen ontwassen, die je op straat volgen tot aan de huisdeur en dan nog lang naar 't huis staan te turen waar je woont. Een arm vrouwtje dat je even op de je arm tikt en je 'n paar vriendelijke woordjes toefluistert.

Dat is alles heerlijk, heerlijk, onvergetelijk en schenkt de allergrootste voldoening. En het weten, dat je dit alles dankt aan de gaven der natuur en de volkomen overgave aan je arbeid, stemt dankbaar en gelukkig."

Bron: Mijn leven van Theo Mann-Bouwmeester (Amsterdam 1930)

Elke nieuwe rol

"Het publiek kan zich moeilijk een idee vormen van de voortdurende spanning waarin een sterartiste leeft. Elke nieuwe rol brengt gejaagdheid en prikkelbare stemming... Wat is 't voor 'n rol? Zal 't iets moois, iets interessants zijn? Hoe dikwijls doorbladerde ik niet onder het naar huis gaan zoo'n nieuwe rol, op straat nu en dan stilstaand, of in de tram het zoo pas uitgereikte ding nerveus hier en daar inziend. Zouden er veel nieuwe toiletten noodig zijn? Zoo ja, dan kwam het angstige gevoel: is er wel geld voor? En er doken even sombere gedachten op, heel even, want het tooneel gaat voor alles, maar toch: adieu bontmantel of ander toilet, dat we voor ons privé leven noodig hadden, je schiet er bij in! Het tooneel, ons vak, gaat vóór alles. En toch beteekent het voor een vrouw heel veel als ze het zich ontzeggen moet, de kleeren te koopen, die ze, uit echt vrouwelijke behaagzucht, zoo dolgraag op straat had gedragen. Dat was dikwijls 'n heele groote opoffering, maar helaas, het ging niet anders!"

Bron: Mijn leven van Theo Mann-Bouwmeester (Amsterdam 1930)

Tekstschrift van Theo Mann Bouwmeesters laatste rol: Liane in “Het kind van de liefde”. “Vaarwel, mijn hart doet pijn” schreef ze erbij. Collectie Theater Instituut Nederland.

Het succes

(...) "Vooral "het succes"! Alsof dat zoo gemakkelijk te bereiken viel... Arme ontwetenden, die er zich geen denkbeeld van konden vormen, hoe duur succes betaald moet worden. Dat ze niet eens rekening hielden met het feit, dat daarvoor talent een eerste vereischte is. Ze dachten niet aan de groote en durende inspanning, die er voor noodig is om "iets" te bereiken, aan al die opofferingen, die men zich daarvoor moet getroosten, de studie, gebrek aan nachtrust, het zich ontzeggen van allerlei genoegens, die andere menschen in andere vakken zich wel kunnen veroorloven, waar wij, doordat wij dag en nacht gebonden blijven aan ons werk, op dit gebied erg stiefmoederlijk bedeeld zijn: overdag repetities, in den vooravond en avond den schouwburg, tot dikwijls na middernacht, 's nachts vaak rollen instudeeren. Och nee, van dat alles wisten ze niets af. Maar wat wisten ze dan wel van het tooneel?"

Bron: Mijn leven van Theo Mann-Bouwmeester (Amsterdam 1930)

Het uiterlijk

"In 't bijzonder voor een actrice is het uiterlijk een cardinaal punt. Is zij bijvoorbeeld onder de maat, dus iets te klein, dan heeft zij reeds zeer veel tegen, want dan zal ze alleen Ingénue of Soubrette kunnen zijn, en dan nog wel alléén zoolang ze jong is. Wie te klein is, belooft dus niet veel voor de toekomst, want voor het groote werk, de domineerende eerste rol, moet men een ander figuur hebben dan die van een ingénue of soubrette, daar zoo'n figuurtje niet beschikt over krachtig materiaal, zooals stem, forschheid van houding en gebaar."

Bron: Mijn leven van Theo Mann-Bouwmeester (Amsterdam 1930)