Anton van Sprinkhuysen

Uit TheaterEncyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Sprinkhuijsen.jpg

Sprinkhuijsen in Dreyfus'
NaamAnton van Sprinkhuysen
Volledige naamSprinkhuijsen, Antonie van
Geboren9 maart 1854
Rotterdam
Overleden31 augustus 1929
Amsterdam
BeroepSchrijver
DisciplineToneel
VIAF-profiel

Biografie

Anton van Sprinkhuysen (1854-1929) was een Nederlandse acteur. Hij werkte vanaf 1878 bij een groot aantal gezelschappen, vertaalde stukken uit het Frans en schreef zelf een groot aantal (veelal Joodse) toneelstukken, waaronder: "De dertig zilverlingen", "De dode", "Dreyfus, de martelaar van het Duivelseiland", "Kaat Mossel", "De kleine man", "Mijnheer Florissen, de mislukte kandidaat voor de tweede kamer", "Om 't goud van Transvaal", "Oranjeklanten", "Wapens neer", "X-stralen". In 1915/16 leidde hij een gelegenheidsgezelschap dat "Vereenigde Tooneelkunstenaars" heette.

Theater/Dans

Een overzicht van de voorstelling die in première is gebracht en waarbij hij geregistreerd werd in de Productiedatabase als auteur

POLITIEK VOLKSTONEEL GECENSUREERD

In zekere zin was Anton van Sprinkhuijsen een geëngageerd toneelschrijver. Niet dat hij sociale misstanden aan de kaak stelde. Van Sprinkhuijsen was bij uitstek een volkstoneelschrijver. Hij ging veelal voor de lach en speelde in op heersende volkssentimenten. Daarmee kwam hij verschillende malen in conflict met de autoriteiten.

KAAT MOSSEL

Verreweg het meeste succes had Van Sprinkhuijsen met het zogenaamde kermisstuk Kaat Mossel. Hij schreef het in 1898 ter gelegenheid van de jaarlijkse kermis voor het toneelgezelschap van het Rotterdamse Tivolitheater. In die tijd was het land druk met de voorbereidingen van de festiviteiten rond de inhuldiging van Wilhelmina. Het volkssentiment was fel Oranje gekleurd. Geen wonder dus dat hij met een kermisstuk over Kaat Mossel kwam. “Kaat Mossel is de incarnatie van de liefde van het volk voor Oranje”, aldus Van Sprinkhuijsen in het Nieuws van den Dag (02-07-1898).

Caetje Mulder was mosselkeurmeester (vandaar haar bijnaam Mossel), opgegroeid in een arme wijk van Rotterdam. In de woelige jaren rond 1785 werd zij bekend als fervent aanhanger en voorvechter van stadhouder Willem V. Gewoonlijk ging zij op straat met veel ophef tekeer tegen de elitaire Patriotten die af wilden van de absolute macht van Willem V. Zij zette het overwegend Oranjegezinde volk aan tot allerlei demonstraties en oproer, met soms bloedige botsingen als gevolg. Zij werd gevangengenomen. Intussen escaleerde het conflict tussen Patriotten en Oranjegezinden tot bijna een burgeroorlog. Pruisische troepen grepen in en herstelden de stadhouderlijke orde. Kaat werd amnestie verleend.

Het kermisstuk werd aangekondigd als “Groot historisch Blijspel met Coupletten, Oranjeliederen, Gevechten en Optochten”. Het liep storm. “In Tivoli is tegenwoordig elken avond feestvreugde; men ziet er slechts lachende gezichten. Het is reeds de 41ste vertooning van Kaat Mossel”’ schreef het Nieuws van den Dag op 8 oktober 1898. “Zolang Tivoli bestaat, heeft het zulk een succes nog niet beleefd. De menschen stroomen avond aan avond naar dezen schouwburg; gansch Rotterdam schijnt het stuk te willen zien.” En niet alleen in Rotterdam, ook in andere plaatsen was de toeloop groot. Het stuk moet in het land honderden keren door zowel professionele als amateurgezelschappen zijn gespeeld. En dan bij uitstek als er in huize Oranje iets te vieren viel. Voor zover valt na te gaan is het voor het laatst opgevoerd in het Rotterdamse Palacetheater tijdens de Oranjefeesten in mei 1946.

DREYFUS, DE MARTELAAR VAN HET DUIVELSEILAND

Een jaar eerder trok Van Sprinkhuijsen al met een ander opvallend stuk sterk de aandacht, ook in het buitenland. Op 21 december 1897 ging zijn drama Dreyfus, de Martelaar van het Duivelseiland in première. Een week later bij de vierde opvoering jubelde een advertentie “Door de critiek der verschillende binnen- en buitenlandsche bladen allergunstigst beoordeeld, o.m. door Journal des Débats, La Laterne, Le Matin, Nieuwe Rotterdamsche Courant, Telegraaf, Nieuws v/d Dag enz.”
Zelfs buitenlandse gezelschappen waren geïnteresseerd. Volgens het Nieuws van den Dag (14-02-1898) heeft Van Sprinkhuijsen “van den schouwburg-directeur A. Löwengard, te Hamburg, bericht ontvangen, dat zijn drama Dreyfus eerstdaags aldaar zal worden opgevoerd.” Een paar dagen later in dezelfde krant is Van Sprinkhuijsen “met den literairen Nederlandsche consul voor Engeland, den alom bekenden Heer Grein, in briefwisseling over eene vertaling van Dreyfus in het Engelsch.” (17-02-1898) Nog geen maand later kreeg Van Sprinkhuijsen “van den redacteur van Le Revue de Brésil, te Parijs, een aanzoek om zijn drama Dreyfus te zenden, ten einde het in het Italiaansch te doen vertalen en opvoeren.” (Nieuws v/d Dag, 11-03-1898)

De Frans-joodse legerkapitein Alfred Dreyfus werd in januari 1895 door een geheime krijgsraad schuldig bevonden aan spionage voor Duitsland. Hij kreeg levenslang en werd verbannen naar Duivelseiland voor de kust van Frans Guyana. In de jaren daarna werd gaandeweg steeds duidelijker dat er sprake moest zijn van een gerechtelijke dwaling. Dreyfus zou het slachtoffer zijn van een valse beschuldiging uit de antisemitische koker van de werkelijke spion Ferdinand Esterházy. De bekende schrijver Émile Zola speelde een vooraanstaande rol in het publiekelijk aankaarten van deze dwaling. In het spoor van het bezielende boegbeeld Zola ontstond in Frankrijk een beweging van ‘Dreyfusards’ die herziening van het proces eiste. De zaak beheerste maandenlang de voorpagina’s, ook van Nederlandse kranten.

Het Nederlandse volkssentiment was op de hand van Dreyfus. Daar kon Van Sprinkhuijsen wel wat mee: de Martelaar van het Duivelseiland. De première was op 21 december 1897 in het Amsterdamse Paleis voor Volksvlijt. Het stuk was vanaf het begin een succes. De recensies waren op z’n minst welwillend.
Van Sprinkhuijsen heeft “in dezen tooneelarbeid niet getracht kunst te leveren. Maar van technisch standpunt beschouwd is zijn werk handig en knap. (..) Een draak is dit stuk niet; wel is waar wordt er op effect gewerkt, maar toch is nergens van schrille overdrijving sprake al moesten ter wille van het toneel eischen geofferd worden aan de waarheid.” (De Telegraaf, 22-12-1897)
“Het stuk heeft uit dramatisch oogpunt vele verdiensten; de bedrijven na de pauze in het bijzonder, het meest het bedrijf waar Esterhazy de handschoen in het gezicht wordt gegooid. (..) De auteur heeft zich trouw aan het verhaal der kranten gehouden.” (Nieuws v/d Dag, 23-12-1897)
“De auteur, de heer A. van Sprinkhuizen, heeft een handig gebruik gemaakt van de bekende gegevens en een zeer goed loopend stuk in elkaar gezet, dat van ’t begin tot het einde boeit, met elk bedrijf de belangstelling doet stijgen en dan ook menig pakkend tooneel te zien geeft.” (Middelburgsche Courant, 13-04-1898)

Veel minder enthousiast waren sommige Franse kranten.
“Chauvinistische Fransche bladen sporen den minister van buitenlandsche zaken Hanotaux aan tot de Nederlandsche regeering ernstige vertoogen te richten, wegens de opvoering van het tooneelstuk “Dreyfus, de martelaar van het Duivelseiland” te Amsterdam.” (Rotterdamsch Nieuwsblad, 30-12-1897)
“Zal de regeering veroorloven dat men Fransche soldaten en generaals een afschuwelijke rol laat spelen, en in uniform doet verschijnen voor een krankzinnig publiek? Dit schandaal moet zoo spoedig mogelijk ophouden. Wij vertrouwen op de krachtige houding van den heer Hanotaux.” (Patrie, geciteerd in Algemeen Handelsblad, 28-12-1897)
“In de Libre Parole maakt Albert Monniot, onder den titel “Hanotaux de Schandvlek”, er den Minister van Buitenlandsche Zaken en den Fransche gezant in den Haag een verwijt van, dat er geen verzet is aangeteekend tegen de vertooning in Amsterdam van het drama “Dreyfus, de Martelaar van het Duivelseiland”. De heer Monniot wijst er op, dat hierin zeer duidelijk een Fransch officier, Esterhazy, als een verrader wordt gebrandmerkt.” (Arnhemsche Courant, 31-12-1897)
Kennelijk kwam de Franse gezant in actie. In het politieke en diplomatieke epicentrum Den Haag werd het stuk verboden. De Haagsche Courant (12-01-1898) wist te melden “dat het verbod van de opvoering van het drama “Dreyfus” in het Gebouw voor K. en W. door den burgemeester, is geschied in overleg met den minister van Buitenlandsche Zaken.”
De burgemeesters van Rotterdam en Arnhem volgden het Haagse voorbeeld. Veel groter werd het niet. “Te Koog is de vertooning van Dreyfus door den burgemeester verboden. In het er onmiddellijk aangrenzende Zaandijk heeft de burgemeester geen enkele aanleiding kunnen vinden om eveneens een verbod uit te vaardigen.” (Nieuws v/d Dag, 17-02-1898) De burgemeesters van onder andere Leiden, Middelburg, Zwolle, Leeuwarden, Enschede, Haarlem, Goes en Groningen ook niet.

Binnen een jaar noteerde het stuk ruim 150 veelal uitverkochte voorstellingen. Het publiek leefde intens mee.
“Het rechtvaardigheidsgevoel van het publiek voor hem die ’t schuldig en onschuldig houdt, uitte zich spontaan en nadrukkelijk door hand- en voetgetrappel.” (Nieuws v/d Dag, 23-12-1897)
“Het publiek gaf den spelers ondubbelzinnige blijken van goedkeuring. Het stuk bezit in den hoogsten mate het vermogen om het enthousiasme van de toeschouwers op te wekken.” (Haarlems Dagblad, 24-01-1898)
“Bij een der vertooningen van het drama Dreyfus te Utrecht, geschiedde ‘t, dat, toen in den krijgsraad de vraag gedaan werd: ,,Is Dreyfus schuldig?”. . . . een man van het schellinkje met een geweldige stem bulderde: ,,Neen!” . . . . Een oogenblikje verbazing in de zaal; onmiddellijk daarop dreunende toejuiching van alle kanten.” (Nieuws v/d Dag, 17-02-1898)
De advertentie voor de 156ste voorstelling verwoordde het heersende volkssentiment: “Dreyfus is onschuldig! Wij zullen allen verademen en juichen op den dag zijner invrijheidstelling” (De Telegraaf, 22-11-1898)

DREYFUS 2.0

Na het plotseling overlijden van president Faure keerde het politieke tij in Frankrijk. De Dreyfusards kregen hun zin. Het Hof van Cassatie boog zich over de zaak, vernietigde op 3 juni 1899 het vonnis en verwees de zaak terug naar de krijgsraad. Een nieuw proces dus en dat vereiste de aanwezigheid van Dreyfus. De ‘martelaar’ keerde op 1 juli 1899 terug in Frankrijk .
Van Sprinkhuijsen zat bovenop het nieuws en paste het slot van zijn Dreyfus-drama aan. De oorspronkelijke versie werd afgesloten met “Dreyfus’ droom van vrijheid door goed licht en décors, de muziek en het maanlicht niet slecht geïllustreerd” (Nieuws v/d Dag, 23-12-1897) De advertentie voor de aangepaste voorstelling kondigde een geheel nieuw 9de bedrijf aan: “Het afhalen van ALFRED DREYFUS van het Duivelseiland met het oorlogsfregat “de Sfax”. Vertrek naar Frankrijk” (De Telegraaf, 12-06 1899)
Het zou “nog eene en zeker laatste voorstelling” zijn maar was in feite het begin van een nieuwe serie. Het succes was zo mogelijk nog groter dan bij de eerste serie. De recensent van het Nieuws van den Dag werd zelfs lyrisch. Hij schreef de nieuwe slotakte geheel uit en besloot als volgt:
“Sprinkhuizen zal door deze drama’s worden en blijven de auteur van vele eeuwen; van het verleden, het heden en de toekomst.” Zijn naam (overigens dus verkeerd gespeld!) zal “worden opgeteekend met de veder der historie om in herinnering te blijven bij het verre nageslacht.” (Nieuws v/d Dag, 16-06-1899)

Zalen waren weer uitverkocht, het publiek leefde weer met daverende toejuichingen mee. Behalve in Rotterdam. In Rotterdam werd het Dreyfus-drama opnieuw verboden. Het stuk stond op het programma van het Tivolitheater. Directie en Van Sprinkhuijsen waren echter niet voor één gat te vangen en kondigden de opvoering aan van een toneelstuk getiteld De Martelaar. Burgemeester ’s Jacob begreep dat zijn verbod omzeild werd.
“De Martelaar, het door den burgemeester van Rotterdam verboden stuk, is, zooals wij wel vermoedden, het bekende Dreyfus-drama van Sprinkhuijzen, dat overal is gespeeld, ook in Middelburg, Vlissingen enz. Waarom het nu door het hoofd der gemeente Rotterdam, in diens hooge wijsheid, werd verboden, is ons niet duidelijk.” (Middelburgsche Courant, 26-09-1899)
De Nieuwe Rotterdamsche Courant vroeg zich af “Hoe werd het juist hier, pas hier een gevaar? Een kleine natie, volkomen waar, moet bescheiden zijn en voorzichtig, het groote Frankrijk mag niet ontstemd – maar als het, in zijn gereputeerde edelmoedigheid, nu toch genereuselijk heeft gedoogd dat Amsterdam vrij Dreyfussen mocht, en al die stadjes waar kermis was, waardoor ontstond dan hier plotseling gevaar, hoe liep de maat juist hier eerst over?” (geciteerd in Algemeen Handelsblad, 24-09-1899)
Het gerucht ging dat de Franse consul-generaal in Rotterdam op een verbod had aangedrongen. In de gemeenteraad ontkende ’s Jacob dit en wilde er verder niet over debatteren. Hij was bevoegd volgens art. 188 van de Gemeentewet om in te grijpen als verstoring van de openbare orde dreigt. Basta! “Dat dit drama elders is opgevoerd, zegt niets, beweerde hij. In Rotterdam hebben dingen kunnen gebeuren en zijn dingen gebeurd, die tot ongeregeldheden aanleiding konden geven. Invloeden van buitenaf hebben zich in genen deele doen gelden.” (Middelburgsche Courant, 30-10-1899) Wat die “dingen” waren of geweest zouden kunnen zijn bleef een raadsel.
Opmerkelijk was dat ondertussen in Den Haag de opvoering van het aangepaste Dreyfus-drama op 14 en 15 oktober 1899 ongemoeid werd gelaten.

’s Jacob bleef alert. Het Tivolitheater zat met een gat in de programmering door het verbod van De Martelaar en kondigde ter vervanging het toneelstuk De braafste man van Frankrijk aan. ’s Jacob schakelde direct naar de hoogste staat van paraatheid. “Tot viermaal toe heeft de heer ’s Jacob een politieagent naar de directie van de Tivolischouwburg gezonden om inlichtingen: eerst om den naam van den schrijver, toen om een program en tot tweemaal toe om de verzekering dat het stuk werkelijk niets had uit te staan met de Dreyfuszaak.” (Middelburgsche Courant, 04-10-1899)
De braafste man van Frankrijk was een blijspel van de hand van de bekende Franse kluchtspelschrijver Albin Valabrègue.

OM ’T GOUD VAN TRANSVAAL

Ondertussen had het tweede Dreyfus-proces niet het verwachte resultaat opgeleverd. Dreyfus werd weer schuldig bevonden aan landverraad en tot tien jaar militaire detentie veroordeeld. Maar op 19 september 1899 werd hem amnestie verleend en op 21 september kwam hij vrij. Amnestie houdt echter geen onschuldigverklaring in, laat staan eerherstel. De werkelijke schuldigen bleven zo buiten schot. De race was dus nog lang niet gelopen. De zaak bleef onverminderd actueel.
Hoewel er meer aan de hand was in de wereld, vermoedde de Zwolsche Courant dat er toch nog wel belangstelling zou zijn voor de opvoering van het Dreyfus-drama in Zwolle. “Al is Dreyfus door de gebeurtenissen in Zuid-Afrika eenigszins uit ons denken en spreken verdrongen, toch zal ongetwijfeld ook deze voorstelling nog heel wat publiek trekken.” (Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant, 27-11-1899)
De kranten stonden toentertijd bol van de toenemende spanningen tussen Transvaal en Groot-Brittannië, in aanloop naar de Tweede Boerenoorlog die tenslotte uitbrak op 12 oktober 1899.

Ook nu weer liet Van Sprinkhuijsen zich inspireren door de actualiteit. Hij schreef het toneelstuk Om ‘t Goud van Transvaal voor de toneelgroep Vereenigde Tooneelisten. De première was op kerstavond 1899 in de Rotterdamse Groote Schouwburg. Van Sprinkhuijsen koos onverbloemd partij, daarover liet de advertentie geen enkel misverstand bestaan: “drama in 7 taferelen uit den worstelstrijd onzer broeders”. (Rotterdamsch Nieuwsblad, 22-12-1899)
De Rotterdamse burgemeester ’s Jacob zag de bui al hangen. “Wat wel te verwachten was na het voorgevallene met den Martelaar van het Duivelseiland, heeft de burgemeester zich ook met de Goudmijnen bezig gehouden en, naar wij vernemen, zeer ernstige bezwaren tegen dat stuk kenbaar gemaakt, die, zoo zij niet uit den weg worden geruimd, zouden leiden tot een absoluut verbod tot opvoering. Er schijnt in het stuk een passage voor te komen waarin de Engelsche vlag door de Boeren wordt verbrand of vertrapt en het is vooral deze, waartegen de burgemeester zich met klem heeft verzet.” (Algemeen Handelsblad, 14-12-1899)
Een inspecteur van politie is “den secretaris van de directie komen waarschuwen, dat de burgemeester tegen dit Transvaalstuk van den Dreyfusstukschrijver misschien bezwaren zou kunnen hebben, weshalve in overweging werd gegeven, dat de burgemeester het manuscript ontvangen en thans lezen zou.” (..) “Tot zoover was dit bericht geschreven, toen we in de namiddag vernamen, dat het manuscript door een inspecteur van politie was teruggebracht, met de mondelinge boodschap, dat in overweging werd gegeven alle uitdrukkingen te verzachten, welke beleedigend geacht konden worden voor den Engelschen, o.a. het woord rooi-nekken. Immers, moest er verstoring van de orde volgen, dan zou de vertooning verboden moeten worden.” (Algemeen Handelsblad, 15-12-1899)

Om ’t Goud van Transvaal werd enthousiast ontvangen. “Een overvolle zaal juichte de vertooners na elk dezer tafreelen uitbundig toe en toonde ook herhaaldelijk zijne ingenomenheid gedurende het spel door een daverend applaus. De eerste twee tafreelen: In het gebouw der Robinson-Maatschappij te Johannesburg en Bij Paul Kruger zijn verreweg de best geslaagde, de anderen zijn veel minder, maar wekten desniettemin geestdrift. Daaraan heeft het trouwens den ganschen avond niet ontbroken; vóór het begin werd het Transvaalsche Volkslied gespeeld, dat staande werd aangehoord; bij het binnentreden van Paul Kruger, prachtig door Willem van Zuylen getypeerd, kwam er aan applaus en gejubel haast geen einde.” (Nieuws v/d Dag, 27-12-1899)
Erg lang zal het stuk overigens niet gelopen hebben, want de “worstelstrijd onzer broeders” mondde uit in een guerrillaoorlog die “onze broeders” uiteindelijk niet konden winnen. De laatste Boeren gaven zich in mei 1902 over.

DERTIG ZILVERLINGEN

Van Sprinkhuijsen schreef nog een opmerkelijk, want atypisch toneelstuk. Luchtig, noch kluchtig. Dertig Zilverlingen was een zogenaamd gettodrama, een joods-christelijke Romeo en Julia.
Daar was niet direct belangstelling voor. Van Sprinkhuijsen had het aangeboden “aan 6 Neder-landsche tooneeldirecties, die het stuk ongeschikt achten of het niet der moeite waard vonden den schrijver bescheid te geven.” (Nieuwsblad v/h Noorden, 28-04-1903) Alleen het Amsterdamse Salon des Variétés wilde het wel in het repertoire opnemen. De première was op 17 maart 1903.
“Dertig zilverlingen is een pleidooi voor de opheffing van het “Ghetto”, waardoor joden en christenen worden gescheiden, ten gevolge waarvan gemengde huwelijken even krachtige bestrijding vinden van beide zijden.” (..) Het geheele Ghetto-drama is samengevat in één scène tusschen twee moeders: de eene door een jood verleide, en daarom alle joden hatende christenvrouw, de andere een joodsche vrouw, die liever zou sterven dan toe te stemmen in het huwelijk van haar dochter met een christen.” (Algemeen Handelsblad, 23-03-1903)

Recensies waren lovend. Vaak speelde daarbij op de achtergrond het vergelijkbare toneelstuk Ghetto van Herman Heijermans uit 1898. Zo ook in de Delftsche Courant:
“En dan aarzel ik geen oogenblik deze nieuweling in de Nederlandsche tooneelbibliotheek te stellen boven Heyermans werk, waarin ons de tendenz zoo wordt opgedrongen in diepzinnige oraties en geheel buiten de werkelijkheid liggende holle frazen. “Dertig Zilverlingen” voldoet zoo veel meer aan de eischen van een tooneelwerk: handeling, werkelijk gebeuren. Daarin wordt ons niet zoo vanaf het tooneel gepredikt: Kijk eens menschen, zóó zouden de toestanden en opvattingen moeten zijn, zooals ik hier sta te betoogen, en omdat zij anders zijn, zien jelui al die droeve dingen gebeuren, die ik je afschilder.” (Delftsche Courant, 24-04-1903)
Tubantia gaf eveneens de voorkeur aan Dertig Zilverlingen: “Sprinkhuyzens werk bevat meer handeling, is fijner van opvatting en bezit een keurig gegeven, dat goed uitgewerkt is en met zorg gespeeld, beslist pakt.” (Tubantia, 30-04-1903)
De Leeuwarder Courant oordeelde anders. Heijermans vond “een navolger in den Amsterdamschen tooneelschrijver A. van Sprinkhuysen, die in meer dan een opzicht in zijn werk, getiteld “30 zilverlingen” gelukkig is geslaagd, al blijft dit ver beneden Heyermans stuk, waaraan hij tot zijn schade telkens doet denken.” (Leeuwarder Courant, 22-12-1903)
Ook het Nieuw Israëlietisch Weekblad zag Dertig Zilverlingen: “waarvan al aanstonds mag geconstateerd worden, dat de auteur zeer gelukkig is geweest, dat het buitengewoon flink gespeeld wordt en dat er weinig strijdigst in voorkomt. (..) Waar de heer Van Sprinkhuyzen, naar men mij mededeelde, géén Israëliet is, wil ik gaarne verklaren, dat hij naar verhouding beter werk heeft geleverd dan Heyermans met zijn Ghetto.” (Nieuw Israëlietisch Weekblad, 27-03-1903)
Deze recensent kreeg een ingezonden brief om zijn oren van een abonnee die een heel ander stuk had gezien:
“Dat de verslaggever van een Joodsch orgaan, een stuk vol schimp en spot, vol van kwetsende uitdrukkingen en beleedigingen voor beide religiën, wat zoogenaamd realisme heet, die ik hier niet wil noemen, daar zij op deze plaats minder zoude passen, een naar waarheid geschetst drama kon noemen, waarin niets voorkomt wat aanstootelijk is en men dus gerust kan gaan zien, is mij onbegrijpelijk. Zelfs personen, die niet fanatiek zijn, en het lang niet zoo nauw nemen. Ja zelfs niet-Israëlieten ergerden zich meermalen sommigen zelfs op luidruchtige wijze over de grove en vieze taal, die het zoogenaamde Joodsche type moest voorstellen.” (Nieuw Israëlietisch Weekblad, 03-04-1903)

Op 7 mei 1903 vierde Salon des Variétés de vijftigste voorstelling van Dertig Zilverlingen. Op 18 februari 1905 werd in een advertentie in het Nieuwsblad van het Noorden een voorstelling in de Nieuwe Schouwburg in Groningen aangekondigd, onder de vermelding “Met groot succes meer dan 160 maal opgevoerd”.
Op 12 maart 1905 zou het stuk in de Leidse Schouwburg worden opgevoerd. En toen was het ineens hommeles, meldde het Algemeen handelsblad:
“Het stuk heeft nergens door zijn inhoud aanleiding tot eenige verstoring der orde gegeven, doch nu maakt de burgemeester van Leiden bezwaar tegen de opvoering van het werk, dat daar morgenavond zou gaan, tenzij eenige gedeelten werden geschrapt.”
Burgemeester De Ridder wilde het stuk van tevoren inzien. Het manuscript kwam retour met de volgende schriftelijke mededeling van de Leidse commissaris van politie J. Groebe:
“De burgemeester vindt geen termen de opvoering van het stuk op a.s. Zondag te verbieden, doch verlangt uitdrukkelijk dat, behalve de reeds aangebrachte coupures, bij de opvoering worde weggelaten het slot van het 5de tooneel van het 3de bedrijf, thans aangehaald tusschen blauwe strepen en beginnende met “Ester die het Joodsche volk redde”.”
Om financieel verlies te voorkomen stemde de directie toe. Wij “Protesteeren echter ten sterkste tegen eene dergelijke censuur, waartoe artikel 188 der Gemeentewet den burgemeesters geen recht geeft.” (Algemeen Handelsblad, 11-03-1905)
Op 15 maart 1905 publiceerde De Telegraaf een ingezonden brief van Van Sprinkhuijsen:
“Den heer Hoofdredacteur van De Telegraaf,
Onderstaand protest tegen den burgemeester van Leiden heeft de redactie van het Leidsch Dagblad geweigerd op te nemen. Zoudt u wel zoo goed willen zijn, daarvoor een plaats af te staan in De Telegraaf? Mijn protest luidde ongeveer:
Den WelEd.geb heer Hoofdredacteur van het Leidsch Dagblad.
Mag ik u beleefd verzoeken, het 5e tooneel van het 3e bedrijf van Dertig Zilverlingen op te nemen in het Leidsch Dagblad, opdat het publiek te Leiden kan oordeelen, welk een waakzaam burgemeestertje het bezit in den heer De Ridder? Inderdaad, Pieter Adriaansz. van der Werf was, bij hem vergeleken, maar een klein kind.
w.g. A. van Sprinkhuijsen

5de Toneel

  • Esther Wil hij uit mijn eigen mond hooren, dat ik onmogelijk zijn vrouw kan worden?
  • Da Selhez (knikt toestemmend)
  • Esther (vervolgt) Ik vind ‘t niet onmogelik. (pauze) Zou ik ’t eerste Joodsche meisje zijn, dat met ‘n Christen trouwde?
  • Da Selhez (zucht)
  • Esther (vervolgt) Mag ik, ik vraag niet eens of ik moet, mag ik mijn levensgeluk ten offer brengen voor ’n langvervlogen hersenschimmig ideaal? Moet ik ongelukkig worden, omdat ’t toeval me Joodsche ouders gaf? Wat ben ik in eerste plaats, mensch of Jodin?
  • Da Selhez Je bent een kind van dezen tijd.
  • Esther Esther, de redster van het Joodsche volk, was de vrouw van ’n heiden, (bitter) maar die heiden was ’n vorst.
  • Da Selhez Juist. De beroemdste namen van de Joodsche geschiedenis zijn de namen van hen, die geen synagoge-joden meer waren. Spinoza, Disraeli, Heine, Lasalle….
  • Esther (eerbiedig fluisterend) Jezus.
  • Da Selhez (legt de hand op Esther’s arm) Neen, die is Jood gebleven. Daarom wordt hij nog dagelijks door de christenen gekruisigd.

Vooral dat laatste zinnetje zette kennelijk kwaad bloed bij De Ridder. Getuige een ingezonden brief, een dag later in De Telegraaf en gericht aan Van Sprinkhuijsen, was daar wel begrip voor:
“Ten einde UEd. en het lezend publiek niet in den waan te laten, dat Katholiek en geloovig Protestant vóór de opvoering der “Dertig Zilverlingen” zijn en dus de houding van burgemeester De Ridder afkeuren, zooals UEd. in schampere bewoordingen doet, mag ik u bij dezen doen opmerken, dat het 5e tooneel, vóóral het slot, onnoodig eerbiedwaardige zaken verwringt en er volstrekt niet toe bijdraagt de hoog noodige verdraagzaamheid en eerbied voor elkanders begrippen te kweeken en te behouden. Het tooneel moet leeren, niet kwetsen. En wat u niet goed vindt van burgemeester De Ridder, vinden duizend anderen wel goed. Dit zij UEd. in trouwe en zonder rancune ter oore gebracht.”

SCHJLAUMEDUIKELAARS

Anton van Sprinkhuijsen schreef met Kaat Mossel, Dreyfus, Om ’t Goud van Transvaal en Dertig Zilverlingen vier succesvolle ‘geëngageerde’ volkstoneelstukken die toentertijd tendenz-toneelstukken genoemd werden. Verder vertaalde hij talloze blijspelen waarin hij vaak zelf meespeelde.
Soms werd zo’n vertaald stuk ten onrechte aan hem zelf toegeschreven. Bijvoorbeeld De Kleine Man was een vertaling van het blijspel Der kleine Mann. Wiener Schwank in vier Akten van de Oostenrijkse toneelschrijver Carl Karlweis. (Algemeen Handelsblad, 29-07-1894) Betreffende Mijnheer Florissen rectificeerde Van Sprinkhuijsen zelf in het Nieuws van den Dag de foutieve advertenties: “Ik stel er prijs op te verklaren dat genoemd blijspel door mij uit het Duitsch is vertaald, zonder meer. De verandering van titel en namen van personen komt voor rekening van den mij onbekenden dramaturg van den Salon des Variétés.” (overgenomen door Algemeen Handelsblad, 31-08-1901)

Je zou denken dat Van Sprinkhuijsen door zijn vele vaak succesvolle activiteiten – acteren, vertalen, schrijven – van een redelijk onbezorgde oudedag kon genieten. Dat dit niet het geval was had zeker ook te maken met het feit dat men het in zijn tijd niet al te nauw nam met de auteursrechten. Van Sprinkhuijsen had op z’n zachtst gezegd last van gezelschappen die op zijn successen wilden meeliften. Daar werd voor gewaarschuwd en zelf klaagde hij daar verschillende keren over.
Het Nieuwsblad van het Noorden publiceerde op 30 november 1899 de WAARSCHUWING! “dat de aangekondigde of nog te annonceeren Voorstellingen van “DREYFUS” door Een Hollandsch Tooneelgezelschap niet is “HET HOLLANDSCH TONEELGEZELSCHAP” van het Paleis voor Volksvlijt te Amsterdam onder bestuur van de Heeren BARENDSE, VERHAGEN & POTHARST, die het uitsluitend recht van opvoering van “DREYFUS” hebben van den Auteur A. v. SPRINKHUIJZEN.”
Er waren ook copyKaats aan het werk. De Middelburgsche Courant vertrouwde op 13 december 1899 de aankondigde opvoering van Kaat Mossel niet: “Wij betwijfelen zelfs sterk of het aangekondigde stuk wel het echte Kaat Mossel is van den heer A. van Sprinckhuysen, wiens naam niet genoemd wordt. Hard kans dus dat men weer te doen heeft met namaak, waarover al meermalen is geklaagd en waardoor het oorspronkelijke zeer benadeeld wordt.”
Van Sprinkhuijsen reageerde een week later in dezelfde krant met een ingezonden brief:

Diefstal op letterkundig gebied.jpg

Ook Om ’t Goud van Transvaal was niet veilig, zo liet Van Sprinkhuijsen met een ingezonden brief weten aan de Middelburgsche Courant (16-04-1900):

Mijnheer de Redacteur.jpg

Zelfs in 1926 signaleerde Van Sprinkhuijsen nog een onrechtmatige opvoering van Kaat Mossel. In Het Vaderland verscheen op 17 februari een ingezonden brief van hem:

Hoe schrijvers behandeld worden.jpg


Anton van Sprinkhuijsen overleed, 75 jaar oud, op 31 augustus 1929 in het Burgerziekenhuis te Amsterdam.
De Telegraaf plaatste op 1 september een kort overlijdensbericht:
“Van Sprinkhuyzen is een der bekendste figuren uit onze oudere tooneelwereld geweest: zijn glorietijd als acteur beleefde hij in de dertig jaren dat hij bij de oude Rotterdammers speelde. Ook bij Van Zuylen en de oude Van Lier was hij langen tijd verbonden.
Van Sprinkhuyzen was de schrijver van een aantal vermaarde succes-stukken uit vroeger dagen: “Kaat Mossel”; “Het goud van Transvaal”; “Dreyfus” – een stuk dat in tachtig Europeesche theaters gegaan is; “Dertig Zilverlingen” – waarin mevrouw Van Westerhoven triomfen vierde in het Salon des Variétés en dat zijn driehonderd voorstellingen achter elkaar beleefde.
Hij leefde thans sinds vele jaren in ruste en leed de laatste jaren aan een hartkwaal."


“Met de veder der historie” samengevat, met dank aan de onvolprezen digitale krantenbak Delpher van de Koninklijke Bibliotheek.

--F. Hers 31 mrt 2018 13:55 (CEST)

Bronnen


Schrijf mee!

Wilt u deze pagina bewerken, corrigeren of aanvullen?

Iedereen kan eenvoudig meeschrijven aan de theatergeschiedenis op de Theaterencyclopedie. Hiervoor moet u ingelogd zijn op uw eigen account. Door eenmalig te registreren maakt u een eigen account aan. Helpt u mee de Theaterencyclopedie compleet te maken?

Fondsen en Partners