Canon:1805

Uit TheaterEncyclopedie
(Doorverwezen vanaf 1805)
Ga naar: navigatie, zoeken

Canonlogo.jpgPolly Cuninghame wordt gelauwerd. Bloei van de Nederlandse dans

De belangrijkste danseres van de Amsterdamse Stadsschouwburg ontvangt een lauwerkrans uit handen van de beroemde actrice Johanna Ziesenis-Wattier.

Start van de carrière

De carrière van de danseres Polly Cuninghame (1785-1837) kende een vliegende start. Na een opleiding in Bordeaux en haar debuut in Parijs, werd deze dochter van een Franse moeder en een Nederlandse vader eerste danseres in het Munttheater in Brussel. In 1801 tekende de toen achttienjarige Polly een contract als soliste bij het Amsterdamse Ballet. Al snel na haar debuut in de Stadsschouwburg in Amsterdam had ze de harten van het Amsterdamse publiek gestolen; in tijdschriften verscheen de ene lovende bespreking na de andere. Amsterdam haalde dan ook opgelucht adem toen Polly in 1803 – na een aantal maanden met veel succes in Parijs gedanst te hebben – gewoon naar de Stadsschouwburg terugkeerde.

Gekroond met een lauwerkrans

Polly had een aantal spectaculaire solonummers op het repertoire staan, waaronder een ‘Pas de tambourin’ en een ‘Pas de shawl’. Haar fans roemden de ‘sierlijkste wendingen, bevalligste houdingen en de kunstigheid’ waarmee zij de fladderende shawl liet ronddraaien om haar bijna naakte lichaam. Hoe groot de waardering was bleek in 1805. Na een optreden van de danseres in het ballet Telemachus op het eiland Calypso, betrad de beroemde actrice Johanna Cornelia Ziesenis-Wattier het toneel om een lofdicht voor te dragen. Vervolgens kroonde ze Polly onder luid applaus met een lauwerkrans. In 1807 trouwde Polly de Amsterdamse industrieel De Heus. Mede door dat huwelijk stond zij in hoog sociaal aanzien, iets wat voor een danseres in die tijd zeker niet vanzelfsprekend was. Dans bleef in dit land van dominees lange tijd geassocieerd met onzedelijkheid.

Bloei van de Nederlandse dans

Polly de Heus-Cuninghame staat aan het begin van een Nederlandse danstraditie die begon aan het eind van de achttiende eeuw, toen het ballet zich als zelfstandige kunstvorm losmaakte van het toneel en de opera. De dans ontwikkelde zich dramatisch en technisch zo ver door, de passen en sprongen werden zo ingewikkeld, dat de dansers vanaf nu een gedegen danstechnische opleiding moesten hebben. Acteurs die ook aardig konden dansen, voldeden niet meer. In 1802 kwam de Franse balletmeester/choreograaf Jean Rochefort naar Amsterdam waar hij in de Stadsschouwburg ongeveer veertig dansers onder zijn hoede kreeg. Elke maand waren er premières van nieuwe stukken, sommige door Rochefort zelf gemaakt, andere overgenomen van balletgezelschappen in Parijs.

Polly in de Pas de Shawl. Tekening door Christiaan Andriessen, 1805. Collectie TIN Portret van Jan van Well als Pierrot in De Geboorte van Arlequin. Gravure door Jan Willem Caspari, 1811. Collectie TIN Andries Voitus van Hamme op klompen in een dans. Albuminedruk, ca. 1860. Collectie TIN

Amsterdamse koning van de mime

Rocheforts choreografieën waren een combinatie van pantomime-gedeeltes, waarin het verhaal werd verteld, en gedanste gedeeltes. In die pantomime-gedeeltes was vaak een belangrijke rol weggelegd voor Jan van Well (1774-1818). Deze ras-Amsterdammer, geboren achter de coulissen van de schouwburg, trad al van jongs af aan op. Al snel werd duidelijk dat hij een buitengewoon begaafde mimespeler was, die de mensen kon laten bulderen van het lachen. Beroemd waren zijn optredens in de harlekinades: op de Commedia dell’Arte geïnspireerde combinaties van pantomime en dans, heel simpel van handeling maar vol met actuele toespelingen. In de rol van Pierrot was Van Well vaak de komische spil ‘om wien zelfs de allernaargeestigste Engelschman zou hebben moeten lachen’.

De invloed van Voitus van Hamme

In 1826 kwam Andries Voitus van Hamme aan het hoofd te staan van het Amsterdamse Ballet, dat uitgroeide tot een gezelschap van zestig dansers. Hij was het die hoogromantische balletten uit Parijs naar Amsterdam haalde. Zo kon het Nederlandse publiek kennis maken met La Sylphide en Giselle, echte klassiekers die om zeer goed getrainde dansers vragen en die ook nu nog regelmatig worden uitgevoerd door gezelschappen over de hele wereld. Toen Voitus van Hamme in 1868 van het podium verdween, ging de kwaliteit merkbaar achteruit. De plots van de balletten werden steeds onwaarschijnlijker en de choreografieën werden volgestopt met effecten. Het gevolg was dat het enthousiasme voor de dans steeds verder wegebde. Het betekende een voorlopig einde van de dans als belangrijke kunstvorm in Nederland. Pas in de loop van de twintigste eeuw zou de dans hier aan een comeback beginnen.


Dit is één van de canonteksten. Voor meer informatie zie: Canon van het Theater in Nederland

Schrijf mee!

Wilt u deze pagina bewerken, corrigeren of aanvullen?

Iedereen kan eenvoudig meeschrijven aan de theatergeschiedenis op de Theaterencyclopedie. Hiervoor moet u ingelogd zijn op uw eigen account. Door eenmalig te registreren maakt u een eigen account aan. Helpt u mee de Theaterencyclopedie compleet te maken?

Fondsen en Partners